Laurent Verbiest (1939-1966), Beckenbauer avant la lettre

Laurent Verbiest, libero van Anderlecht in de jaren zestig, was net zo goed als Franz Beckenbauer. Hij had dat aristocratische in zijn spel, hij was een spelbepaler vanuit de verdediging. Maar hij was ook totaal anders: slordig gekleed, soms nonchalant. Verbiest leek ook op Wim van Hanegem: de brutaliteit, de humor, de weigering om zich te conformeren. Verbiest, kind van Oostende, zoon van de zee, was een unieke speler in de geschiedenis van het Belgische voetbal. Helaas had hij ook iets van James Dean: de Vlaamse Rebel without a Cause, Lorenzo Il Magnifico, verongelukte op jonge leeftijd.

Oostende. Liggend aan de westkust van België, stad van de cartoonisten Kamagurka en Herr Seele en het wulpse model Wendy van Wanten. Toeristisch centrum en vissersstad. De Tweede Wereldoorlog en de opkomst van het massatoerisme, met bijbehorende bebouwing van de kuststreek, vernietigden het belle-epoque-imago dan wel volledig, door de jaren heen bleef Oostende trekken als dé badplaats van België. Op 16 april 1939 wordt hier Laurent Verbiest geboren. Een stevig, blond kereltje dat uren doorbrengt op het vissersschip van zijn vader. Laurent zal carrière maken in het Belgische voetbal. Totdat het noodlot hem op een kille woensdagavond in februari 1966 achterhaalt.

In Top 100  van het Belgisch voetbal, een boekwerkje van de Vlaamse journalisten Jan Wauters en Walter Pauli, staat Laurent Verbiest op nummer zes. Hij is de eerste verdediger die we tegenkomen. Net onder de Grote Vijf van België: Rik Coppens, Jan Ceulemans, Wilfried Van Moer, Paul Van Himst en Jef Mermans. Maar hoger dan Eric Gerets, die we in Nederland zo goed kennen en zo hebben gewaardeerd, hoger dan Jurion en Coeck, veel hoger dan Scifo (20ste) en Nilis (25ste). Is het de mythe die Verbiest in de geschiedenis omhoog gestuwd heeft? Waarschijnlijk niet. Hij was een heel grote speler.

Verbiest was een begiftigde knaap; behalve een talentvol voetballer was hij ook een uitstekend leerling op school en op sportief vlak was hij tevens een prima wielrenner die zegevierde in koersen in en om Oostende. Voetbal won. Laurent schreef zich in bij AS Oostende, een derdeklasser.

Verbiest was techniek. Verbiest was virtuositeit en lef. En vooral: Verbiest was risico. Hij was voor niets en niemand bang, durfde zijn kwaliteiten op iedere plek van het veld te demonstreren en deinsde er ook niet voor terug om zijn ambities luid en duidelijk te laten horen. Op een dag stapte de junior Verbiest naar het bestuur met een glasheldere mededeling: ‘Ik ben beter dan stopper Legon die in het eerste elftal speelt en ik ben ook beter dan zijn vervanger Clarke. Kunt u mij niet ten minste de kans geven om dat te bewijzen?’ Trainer Pol Gernaey, een voormalige doelman van de nationale ploeg, gaf hem die kans. En toen liet Verbiest zich niet meer tegenhouden. Toen hij 21 was, werd hij aangetrokken door het grote Anderlecht.

Met de nationale ploeg was het in België bij de wisseling van de jaren vijftig met de jaren zestig magertjes gesteld. De Rode Duivels waren het contact met de top verloren. Het Belgisch voetbal in de jaren zestig was clubvoetbal. Het clubvoetbal in België in de jaren zestig was Anderlecht.  Kortom, als je het in België over voetbal had, dan had je het over Anderlecht. In de verte speelde Standard Luik wel een rol, maar de Waalse ploeg was nog mijlenver verwijderd van de Brusselaars. Van Club Brugge had men alleen in de stad zelf gehoord.

Met zijn 1,82 meter en tachtig kilo was Verbiest een verschijning, fors gebouwd maar daardoor nog niet traag – integendeel. Zijn eerste wedstrijd voor Anderlecht speelde Laurent Verbiest tegen Santos, de Braziliaanse grootmacht met Pelé in de gelederen. Pelé was twee jaar eerder met Brazilië wereldkampioen geworden in Zweden en behalve de grote ster huisvestte de ploeg ook de beroemde doelman Gilmar en middenvelder Zito. Verbiest stond opgesteld als rechtsback, ontmoette daar Pepe, eveneens een gevierd Braziliaans international. Pepe heeft op die warme junidag alleen de rug van Verbiest gezien, die voor zijn doen ongewoon sober de kwikzilverachtige Pepe volledig uit de wedstrijd speelde. Verbiest had niet lang nodig om zijn reputatie bij Anderlecht te vestigen. Verbiest was de ster van de avond en heette voortaan Lorenzo Il Magnifico, Laurent Le Magnifique.

Anderlecht in de jaren zestig

Met Jef De Bombardier Mermans werd Anderlecht in de jaren veertig de topploeg van België. Mermans (1922-1996) was in 1941 voor 125.000 francs gekocht van Tubantia Borgerhout en leidde Anderlecht met 38 doelpunten naar de eerste titel in 1947. Onder de vleugels van Mermans bleef Anderlecht in de jaren vijftig de toonaangevende ploeg (titels in 1954, 1955 en 1956) maar in de daaropvolgende vier jaar wist de Brusselse club het kampioenschap nog maar één keer te behalen. Mermans was weg. Er moest aan een nieuwe ploeg gebouwd worden.

Die opdracht werd in handen gegeven van Pierre Sinibaldi. In 1960 trad de oefenmeester uit Corsica aan. Hij was coach van het nationale team van Luxemburg geweest maar had blijkbaar voldoende indruk gemaakt om de zware taak in Brussel toevertrouwd te krijgen. Sinibaldi bouwde zijn nieuwe team rond Jef Jurion, aanvoerder, spelmaker en het mentaal geweten van de ploeg, en de stylist Paul Van Himst die hij op zestienjarige leeftijd liet debuteren. En Sinibaldi ruimde al snel een plaats in het centrum van de verdediging in voor Laurent Verbiest. Die was na zijn transfer uit Oostende als rechtsback begonnen, maar nadat Georges Heylens de overstap naar het eerste team maakte en rechtsback ging spelen, verhuisde Verbiest naar het centrum. Hij ontwikkelde daar zijn speelse speelstijl verder. Ook opvallend was zijn coachgedrag. In een tijd waarin dit bepaald ongewoon te noemen was, praatte Verbiest doorlopend op zijn medespelers in. Er werd wel gezegd: Mermans leidde Anderlecht, Verbiest beïnvloedde de ploeg.

In de jaren zestig won Anderlecht de titel in 1962 en daarna vanaf 1964 vijf jaren op rij. Europees won men echter niets. Wellicht dat het in eigen land voor RSCA te gemakkelijk ging, waardoor men in Europees verband niet voldoende gewapend was als er op het scherp van de snede gestreden moest worden. Toch beschouwen Anderlecht-volgers deze tijd als de gouden periode van de club, meer nog dan de jaren zeventig waarin twee keer de Europa Cup II werd veroverd. Dat kwam door de speelstijl.

Anderlecht speelde in de jaren zestig schitterend voetbal: aanvallend, swingend, op techniek gebaseerd spel, ingegeven door Pierre Sinibaldi. Dat begon achterin met Laurent Verbiest die op dwingende wijze met veel risico in zijn spel de aanvallen vormgaf. Daarna kon de ploeg alle kanten op. Met Heylens (een harde, enthousiaste werker die doorlopend mee naar voren ging) en Jean Cornelis (technisch ijzersterk) had Anderlecht van achteruit drie troeven. Het middenveld met Lippens, Jurion en Pierre ‘Poep’ Hanon kende zijn gelijke niet. Daarin zat techniek, tactisch vermogen en strijdbaarheid.

In de aanval was Paul Van Himst het grote wonderkind, struinde Wilfried Puis de linkerflank af en bleek Jan Mulder, een jonge Groninger aangetrokken in 1965, de ideale toevoeging met zijn recht-toe-recht-aan stijl. Toch was het gemis van de verdediger Verbiest na 1966 voelbaar in aanvallend opzicht. Scoorde Anderlecht in de seizoenen eindigend in 1964, 1965 en 1966 respectievelijk 77, 87 en 88 maal, de twee jaren erna (toen Verbiest er dus niet meer bij was) vond men het net nog 63 en 67 keer. Een serieus verschil.

30 september 1964, Anderlecht-Nederland 1-0

Constant Vandenstock, de bierbrouwer van Bellevue en de grote man in het Belgische voetbal, was voorzitter van Anderlecht maar ook selectieheer van de nationale ploeg. Tot ver in de jaren zestig immers werd de Belgische ploeg niet opgesteld door de coach, maar door een ‘kenner’: de selectieheer. Vandenstock hield Verbiest goed in de gaten. In België stond een dergelijk talent niet ieder jaar op.

Nauwelijks een maand na zijn debuut bij Anderlecht en na vier wedstrijden in de hoogste klasse werd Laurent Verbiest al opgeroepen voor De Rode Duivels. Direct kon hij aan de bak tegen Nederland (1-4 verlies). Verbiest haalde bij de nationale ploeg niet altijd het niveau dat hij bij Anderlecht tentoonspreidde. Ook zijn laatste interland verliep niet vlekkeloos. In een beslissingswedstrijd voor het WK 1966 verloor België met 2-1 van Bulgarije. Verbiest kreeg de hele wedstrijd geen vat op de Bulgaarse topspits Georgi ‘Gundi’ Asparoechov.

Tussentijds had zich een merkwaardig, zelden (of nooit) vertoond feit voorgedaan. Op 30 september 1964 speelde België in Antwerpen tegen Nederland. Tien Anderlecht-spelers (Heylens, Plaskie, Verbiest, Cornelis, Hanon, Jurion, Stockman, Devrindt, Van Himst en Puis) stonden aan de aftrap. Zij werden vergezeld door doelman Guy Delhasse van Club Luik. Toen de laatste zich blesseerde, werd zijn plaats ingenomen door Anderlecht-keeper Jean Trappeniers. Op deze wijze speelde Nederland tegen elf Anderlecht-spelers. Die wonnen de wedstrijd met 1-0. Beter kan de suprematie van Anderlecht over het Belgische voetbal in de jaren zestig niet beschreven worden. Journalist Bob Deps schreef over het voetbal van Anderlecht in 1965: ‘Het was meer dan sport wat Anderlecht toonde, het was onvervalste kunst.’

Lorenzo en De Puzze

Oostende leverde niet alleen Laurent Verbiest aan Anderlecht. Ook in 1960 had de Brusselse club Wilfried Puis aan zich gebonden, hoewel de linksbuiten pas in 1961 daadwerkelijk de overstap zou maken. Puis kwam niet, zoals Verbiest, van AS Oostende maar van VG Oostende. Beide clubs zijn inmiddels gefuseerd tot KV.

Wilfried Puis was een kleine, frêle buitenspeler, fysiek en mentaal kwetsbaar maar klasserijk. Hij werd vergeleken met de fameuze Spanjaard Gento. Puis kon, met plotselinge, bijna kittige beweginkjes de bal aan een touwtje houden en op links doorbreken, daarna vervolgen met een onverwachte strakke voorzet. Paul Van Himst hoefde er zijn schoen maar tegenaan te zetten om te scoren. Op deze wijze bracht Puis talloze doelpunten aan.

Laurent Verbiest, vier jaar ouder, was zijn ‘grote broer’, de man die hem meenam naar de grote stad en die hem hielp bij het acclimatiseren. ‘Ik weet echt niet hoe ik het zonder Laurent zou hebben gerooid’, zo zei Puis. Die had een zware jeugd achter de rug, met veel conflicten met zijn stiefvader, en deed alles voor Verbiest. Hij droeg zelfs zijn sporttas. Wanneer de ploeg ergens een zak patat ging eten en op de fiets een frietkot opzocht, liet Verbiest zijn fiets nonchalant op de grond vallen. Puis raapte hem dan op en zette het rijwiel tegen een muur. Als een slippendrager.

Laurent ‘Lorenzo’ Verbiest en Wilfried ‘De Puzze’ Puis waren een duo, onafscheidelijk. Ze waren apart, Oostendenaars, mannen van de zee, niet van de Brusselse beau monde. Ze reisden samen, veelal met de trein, van Oostende naar Brussel en terug. ‘Chang’ Puis (zo genoemd vanwege zijn spleetogen als hij lachte) keek op tegen Verbiest zoals hij tegen een flatgebouw opkeek.

Zo onderdanig als Puis kon zijn, zo brutaal, in zekere zin weinig fijnzinnig, waren nu en dan zijn grappen en grollen. Puis is de man die in een vliegtuig foto’s uitdeelde van zijn geslachtsdeel; die had hij genomen in een fotohokje op het vliegveld, vlak voor het vertrek. De passagiers wisten niet of ze moesten lachen of beschaamd weg moesten kijken. Teamgenoot Gilbert Van Binst liet ooit optekenen: ‘Iedereen dacht dat Puis heel verlegen was, maar als er iets werd uitgevreten dan zat hij er altijd tussen.’ Gniffelend, bijna stiekem genoot hij dan van zijn streken.

Maar toen Verbiest wegviel, kwam hij mentaal toch zwaar in de problemen. Voor Wilfried Puis was Lorenzo zijn steun en toeverlaat. Hoe Puis zich er doorheen sloeg? Wij kunnen het hem niet meer vragen. De Puzze overleed op 20 oktober 1981, op 38-jarige leeftijd, aan kanker.

‘Hier steekt precies ook niet veel onder’

De jaren zestig waren de tijd van afkeer van gezag, van protest, van zelfontplooiing en non-conformisme. Niet langer volgde men blindelings de leiding, veeleer ontwikkelde men eigen meningen en was men niet bevreesd om die te laten horen. Behalve door zijn voetbalkwaliteiten werd Laurent Verbiest vooral ook bekend door zijn gedrag, zijn vrijpostigheden die door sommigen als brutaliteit werden uitgelegd.

Fratsen waren het, momenten die je nooit vergeet. Verbiest ging in een wedstrijd tegen Crossing, midden in het strafschopgebied, ostentatief op de bal zitten. Terwijl het spel gewoon liep! Met een houding van: kom hem maar halen, als je durft. Hij was dan in staat om, zodra de opponent hem naderde, op te staan en twee of drie tegenstanders in zijn eigen zestienmetergebied, vlak voor de neus van zijn inmiddels bloednerveus geworden doelman, voorbij te dribbelen.

Bonter maakte Verbiest het nog in een uitwedstrijd tegen Lierse SK. Scheidsrechter Lepomme had het bestaan voor een overtreding tegen Verbiest te fluiten, waarna de libero op hem toestapte. Vlak voor de arbiter bleef hij staan, zette zijn rechtervoet op de bal en streelde de scheidsrechter over zijn hoofd: ‘Hier steekt precies ook niet veel onder, hè?’ Lepomme rapporteerde het voorval aan de bond. Het leverde Verbiest een schorsing van zes maanden op.

Ook buiten het veld was het vaak lachen met Verbiest. Kort na zijn entree in de nationale ploeg was voor een interland in Frankrijk niet Verbiest opgesteld, maar Standard-speler Henri Thellin. Toen een fotograaf hen vroeg te poseren en, om het naturel te doen lijken, met elkaar te praten, zei Verbiest grijnzend, toen het tweetal keurig klaarstond voor de foto: ‘Henri, je weet heus wel dat ik beter ben dan jij.’ Thellin kon daarna moeilijk meer vrolijk kijken.

Verbiest, de stille, de mompelaar uit Oostende. Verbiest, de olijke flapuit. En Verbiest, de man met de verrassende geniale ingevingen, op het veld maar ook erbuiten. Na het oplopen van een enkelblessure kreeg hij van de chirurg het advies om de enkel in zeewater onder te dompelen. Dat zou goed zijn voor het herstel. Verbiest, nog jong en thuiswonend, liet zijn moeder een emmertje zeewater uit de zee bij Oostende halen, en ging vrolijk met zijn voet in een teiltje met zeewater op het balkon van het appartement van zijn ouders zitten.

Op het veld ging Verbiest onverminderd door met hoogstandjes. In een wedstrijd tegen Waterschei ging hij de spits van de bezoekers in één actie acht keer voorbij. Daarna deed de Waterschei-aanvaller geen pogingen meer om Verbiest de bal afhandig te maken.

Jean Plaskie

Franz Beckenbauer zwoer bij zijn voorstopper Hans-Georg ‘Katsche’ Schwarzenbeck. Een lelijke, onooglijke voetballer die weinig anders kon dan ballen afpakken en ze daarna inleveren bij der Kaiser. Zonder Schwarzenbeck voelde Beckenbauer minder zekerheid, kon hij niet goed inschatten of er wel goed werd gepast op de winkel die hij achterliet bij zijn offensieve escapades. Mét Schwarzenbeck zat hij safe.

Gaetano Scirea, libero van Juventus en Italië, had bij zijn club altijd Sergio Brio in zijn buurt. Brio haalde nooit de nationale ploeg, maar schermde Scirea bij Juventus uitermate betrouwbaar af. Bobby Moore had Jack Charlton, Arie Haan had Rijsbergen, Franco Baresi had Costacurta. Eenvoudige spelers, zich bewust van hun beperkingen, betrouwbaar en met voldoende eer als zij in de schaduw van de vedette konden spelen.

Laurent Verbiest had Jean Plaskie. Zoals Schwarzenbeck, Brio, Charlton, Rijsbergen en Costacurta wist Plaskie zijn plek. Niet groot maar robuust, bijna dikkig, concentreerde de verdediger zich op het uitschakelen van zijn man. Vanuit zijn rug kon Verbiest de eerste schakel zijn in de opbouw van de Anderlecht-aanvallen. Plaskie hield de deur op slot.

Gouden Schoen

In België krijgt de Voetballer van het Jaar traditiegetrouw de Gouden Schoen. Het is een prijs die ieder jaar fel betwist wordt; de Gouden Schoen winnen, dat betekent in België veel meer dan een soortgelijke titel in Nederland.

Verbiest eindigde drie maal in de top 5 van de verkiezing voor de Gouden Schoen. In 1962 werd hij derde (Jurion won), evenals in 1963 (winnaar Standard-keeper Jean Nicolay) en in 1964, toen zijn vriend Puis won, was Verbiest vijfde. Merkwaardig dat het supertalent Verbiest nooit tot Voetballer van het Jaar werd verkozen. Was hij dan misschien toch niet zó goed? Waarschijnlijk betekent het meer dat de verdediger toch omstreden was. Niet vanwege zijn kwaliteiten, maar vanwege zijn gedrag.

Toen de prijs in 1966 werd uitgereikt aan Wilfried Van Moer besloten de organisatoren voor het eerst en voor het laatst dat er een symbolische Gouden Schoen vergeven moest worden. Deze ging naar Laurent Verbiest.  Zo deed men een beetje boete. Jan Pulinckx schreef: ‘Men kan zich niet voorstellen dat hij in de glorieperiode van zijn loopbaan nooit als Gouden Schoen uit de bus kwam. (…) Pas achteraf heeft iedereen zonder onderscheid beseft dat zijn voetbaltalent een mengsel was van kunde, intelligentie en speelsheid. Uiterlijk was hij een uitdagende fantast, innerlijk een man die zoveel van zijn sport hield dat hij zich niet indenken kon dat andere spelers ze soms op een wraakroepende manier verknoeiden.’

Ach, was het niet zo dat het prachtige, melancholieke Sittin’ on the dock of the bay van Otis Redding pas een hit werd na zijn dood? Drie dagen na de opname stierf ‘Otis die dood is’ bij een vliegtuigongeluk. Hij hoorde zijn eigen grootste hit nooit. Verbiest zag zijn grootste erkenning nooit.

Stemmen over Laurent Verbiest

Carl Huybrechts (journalist, 1951): ‘Laurent Verbiest was een Braziliaan. Die man kon dingen met een bal die we in België nog nooit gezien hadden. In herinner het me nog goed, met mijn vader naar Beerschot tegen Anderlecht. Verbiest was een bezienswaardigheid.’

Paul Van Himst (teamgenoot, 1943): ‘Een artiest. Een balgoochelaar. Een virtuoze wereldspeler, buiten categorie. Die kon alles met een bal. Legde een bal die je twintig meter omhoog schoot, zo dood in zijn nek. Hij werd wel vergeleken met Beckenbauer en dat was echt niet overdreven. Het is niet uit te leggen. Verbiest was een ongelooflijke speler. Hij kon een tegenstander echt belachelijk maken.’

Jan Wauters (journalist, 1939-2010): ‘Onvergelijkbaar, onvervangbaar. Hij daagde iedereen uit maar op een sportieve manier.’

Jean Trappeniers (teamgenoot, 1942): ‘Ik heb hem een doelpunt zien maken, weergaloos. Hij had een fout gemaakt en we stonden 1-0 achter. Verbiest pakte de bal en zei: “Let op, nu ga ik zo een goal maken.” Hij pikte even later diep op eigen helft de bal op en begon te dribbelen. En dribbelen en dribbelen. Eén voor één ging hij ze allemaal voorbij. Hij kwam alleen voor de doelman, ging die ook voorbij en legde de bal stil op de doellijn. Toen draaide hij zich om, maakte een breed armgebaar naar het publiek van “hebt u het gezien?” en tikte de bal over de lijn: 1-1.’

2 februari 1966

2 februari 1966 was in Europa een voetbaldag waarnaar reikhalzend werd uitgezien. Immers, op deze avond speelde Manchester United thuis tegen Benfica: kwartfinale in de Europa Cup I, heenwedstrijd. Manchester United bouwde, na het afgrijselijke vliegtuigdrama in München acht jaar eerder, aan een nieuw topteam: Bobby Charlton had de ramp overleefd en zag zich omringd door Nobby Stiles, George Best en Denis Law.  Benfica was een gevestigde naam in Europa. In de jaren zestig had het al twee maal (1961, 1962) de Europa Cup veroverd en in 1963 en 1965 had Benfica de finale eveneens bereikt.

Die middag had Anderlecht getraind. De liefhebber Verbiest wilde zich de rechtstreekse reportage van United-Benfica niet laten ontglippen en spoedde zich, samen met zijn kersverse echtgenote Frederika, naar huis. Hoe hard ze reden? We kunnen het ook Frederika niet meer vragen. Zij is inmiddels overleden. Aannemelijk is dat Laurent met de voetbaluitzending in het hoofd zeker niet voorzichtig heeft gereden. Het gerucht dat de twee in de auto een hoogoplopende ruzie zouden hebben gehad, is uiteraard uit de eerste hand niet meer te controleren. Op het Kennedy Rondpunt, een grote rotonde bij het binnenrijden van Oostende, verloor Verbiest de macht over het stuur, slipte en ramde de vangrail. Frederika had enkele schrammen. Verbiest werd zwaar gewond overgebracht naar het ziekenhuis en overleed later die avond.

Manchester United versloeg op dat moment Benfica met 3-2 en rolde de Portugezen in de return met 1-5 op. Laurent Verbiest heeft het niet meer gezien. In de tweede wedstrijd scoorde George Best binnen elf minuten twee maal op weergaloze wijze. Het was alsof de non-conformist par excellence George Best op deze avond in het Estadio Da Luz een eresaluut wilde brengen aan zijn Belgische evengeest.

Een jaar later schreef Jacques Lecoq, hoofdredacteur van Les Sports, deze ode aan Verbiest:

‘Het regent in de stad, zoals het regent in onze harten. Astridpark, 1 februari 1967. De regen geselt de bomen in het park, het stadion is tot de nok toe gevuld. Niemand ontbreekt op het rendez-vous van de herinnering, de ingetogenheid voor de match terwijl onder de gedoofde lichten een muziekkorps de dodenmars speelt. Even later, nog voor het stadion opnieuw baadt in het licht, breekt een applaus los zoals Laurent Verbiest er een jaar geleden geregeld een kreeg. Een jaar ging voorbij. Anderlecht kan hem niet vergeten. Verzacht de tijd de smart, littekens blijven …’

Laurent Lorenzo Verbiest rust op het Kerkhof Bredene-Sas nabij Oostende, op een strakke voorzet afstand van het graf van zijn grote vriend Wilfried Puis, De Puzze. Samen werden ze 64 jaar.