Plaatjes laden...
Columns

Geen categorie

Sesto van een Oude Dame

Door: Roberto Pennino

 

De krappe overwinning van Juventus op AS Roma (1-0) kan weleens grote gevolgen hebben voor het Italiaanse voetbal. Het verlies van Strootman c.s. betekent dat de Italiaanse competitie nogal wat aan spanning heeft heeft ingeboet. Sterker nog, met alle steken die de directe concurrenten met regelmaat laten vallen, kan Juve de landstitel 2016-2017 nauwelijks nog ontgaan.

Onder de stand van de ranglijst borrelt nog iets anders. Klaar om zich een weg naar buiten te banen: wanneer Juventus er inderdaad in slaagt de titel te pakken, gaat er een stokoud record aan diggelen. De Bianconeri gaan dan de annalen in als de eerste club die maar liefst zesmaal achtereen de scudetto verovert. Want dat staat ook op het spel: de ‘eeuwige’ roem van een sesto titolo consecutivo.

In het verleden zijn er drie clubs geweest die tot vijf elkaar opvolgende titels zijn gekomen: allereerst Juventus zelf (vanaf 1931 tot en met 1935), stadgenoot Torino (vanaf 1943 tot en met 1949, met een onderbreking door de Tweede Wereldoorlog) en recenter nog Internazionale (vanaf 2006 tot en met 2010). Vooral die laatste reeks ligt de Juventusfans nog altijd zwaar op de maag vanwege het zogenaamde Calciopoli schandaal. Na de ontrafeling van de grootste voetbalmanipulatie ooit in Italië werd geen club zo zwaar gestraft als De Oude Dame: de door Juve behaalde landstitel van 2006 werd de club ontnomen en toegekend aan Internazionale met op de koop toe een vernederende degradatie naar de Serie B. Het is met die achtergrond dat de die hard tifosi van Juventus de reeks van Inter weigeren te accepteren en vinden dat alleen in Turijn ooit het echte kwintet is volbracht.

Wanneer wordt ingezoomd op de respectievelijke prestaties van Juventus en Torino, houdt dit de stad Turijn intern extreem verdeeld. Daar waar de zogenaamde Quinquennio d’Oro (het gouden lustrum) van Juventus aan geen enkele twijfel onderhevig lijkt te zijn, bestaan er aangaande de reeks van Torino wel wat haken en ogen. Natuurlijk kan het geen enkele club worden verweten dat een oorlog van wereldformaat de competitie enkele jaren heeft stilgelegd, maar in 1944 gebeurde er iets dat uit alle officiële lijsten is geschrapt. In een onofficieel toernooi om de oorlogstitel, het Campionato Alta Italia, werd het grote Torino, de regerend landskampioen, in een finaleronde verslagen door de amateurs van het brandweerkorps van VV.FF. Spezia. Hoewel deze vergeten competitie in 2002 alsnog officieel door de Italiaanse voetbalbond werd erkend, kreeg de door de brandweermannen behaalde titel slechts de status van ’eretitel’. In de lijst van landskampioenschappen schittert het hele gebeuren evenwel door afwezigheid. De andere kant van de medaille is dat de Toro-fans verwijzen naar de vliegramp van Superga, waarbij de meeste spelers van het beroemde Grande Torino het leven lieten. Zonder die ramp had Torino in hun ogen misschien wel zes, zeven of acht titels achter elkaar kunnen behalen.

Hoe dan ook is de ‘Sesto’ een heet hangijzer dat naarmate de competitie vordert, steeds meer de focus zal krijgen. Het heeft er alle schijn van dat Juventus hard op weg is om de geschiedenis te gaan herschrijven. Slechts een grote ramp, een oorlog of een omkoopschandaal lijkt nog roet in het eten te kunnen gooien.

Troostpoëzie

Door: Roberto Pennino

 

De vliegramp met de Braziliaanse club Chapecoense houdt de gemoederen natuurlijk over de hele wereld bezig. Hoe heeft het kunnen gebeuren? Zijn er verantwoordelijken aan te wijzen? Het zal wel. Of niet. Feit is dat het gebeurde nooit ongedaan kan worden gemaakt. De dood laat zich niet terugfluiten.

SupergaIn 1949 verongelukte een ander voetbalteam: Il Grande Torino. Achttien spelers van de regerend landskampioen van Italië vonden de dood vlak buiten Turijn, tegen de basiliek van Superga. De weersomstandigheden vormden de grote spelbreker: mistig, regenachtig en de piloot had het allemaal niet zien aankomen. De Milanese journalist Indro Montanelli zette op 5 mei 1949, onmiddellijk na de vliegramp, zijn gevoelens over de ramp als volgt op papier:

De helden zijn altijd onsterfelijk in de ogen van degenen die in hen geloven. En daarom geloven de jongetjes dat het elftal van Torino niet dood is, het is slechts onderweg…’

Montanelli leek zichzelf en zijn lezers te willen troosten met de gedachte dat de jongste fans hun voetbalhelden zouden blijven imiteren op de pleinen in de stad, en dat het voor hen weinig verschil zou maken dat die helden zelf geen bal meer konden aanraken. Ze zouden zich waarschijnlijk nog steeds Mazzola, Loik of Gabetto blijven noemen tot het moment waarop ze, ouder geworden, niet meer om de waarheid heen konden.

In Brazilië is de verslagenheid ongetwijfeld vergelijkbaar met die van ruim 67 jaar geleden in Italië. Ook bij de jeugdige supporters. De jongetjes en meisjes wier wereld met de collectieve dood van hun helden is ingestort. Verdriet is van alle tijden en de verslagenheid grijpt wild om zich heen bij een gebeurtenis als deze. Zonder aanziens des persoons. Want niet alleen degenen die het niet hebben overleefd zijn slachtoffers, ook hun familieleden, vrienden, kennissen en supporters zullen het litteken van de ramp altijd met zich meedragen.

Met het neerstorten van het vliegtuig zijn bovendien ook vele dromen in het niets opgelost. Boem, weg. Niet alleen het spelen van de Copa Sudamericana-finale is van de baan. Ook de individuele hoopjes en verwachtinkjes zijn meegesleurd in de val. En dan moet het moeilijkste nog komen. Want pas wanneer de gevallen helden zijn geëerd en de rouwboeketten zijn verwelkt, dringt de harde werkelijkheid van het dagelijkse leven echt volledig door.

Ook dit post mortem aspect heeft Montanelli prachtig verwoord. Want je kunt jezelf niet blijven ontzien met mooie gedachten over de overledenen.

‘Maar morgen al begint het onkruid te groeien op de graven van die achttien jonge atleten die een homerische, eeuwige, wonderbaarlijke jeugd leken te symboliseren.’

Hier past alleen nog stilte en respect voor iedereen die betrokken is bij de overleden spelers van Chapecoense. En een diepe buiging voor Montanelli die heeft laten zien dat journalistiek niet alleen om feitelijkheden draait, maar ook om gevoelens en menselijkheid. Zijn poëtische regels kunnen misschien ook anno 2016 mensen enige troost bieden.

Onzichtbaar onmisbaar

Door: Roberto Pennino

 

Vandaag is Gabriele Oriali 64 jaar geworden. Geen naam die onmiddellijk een belletje doet rinkelen in Nederland. Alleen de oudere voetbalsupporters zullen zich hem misschien kunnen herinneren. Vooral van 1972 en wellicht een beetje van 1982.

Oriali 1Op 31 mei 1972 kwam de destijds negentienjarige middenvelder Oriali in de Rotterdamse Kuip regelmatig oog in oog te staan met de beste voetballer van de wereld van dat moment: Johan Cruijff. Een persoonlijk succes werd het niet voor de jongeling, want Nummer 14 scoorde in hoogsteigen persoon de twee doelpunten die ervoor zorgden dat Internazionale kansloos de Europa Cup 1-finale met 2-0 verloor. Er zijn prachtige beelden van: Oriali die in de luren wordt gelegd door Cruijff, Oriali die in de achtervolging is op Cruijff en, uiteindelijk, Oriali die de maestro uit arren moede even vastpakt. In die periode vaak de enige manier om Cruijff, al was het maar even, aan banden te kunnen leggen. Toch heeft de verliezend finalist van toen zich laten ontvallen dat een van de meest dierbare herinneringen aan zijn loopbaan juist die finale is geweest. Met als tastbaar aandenken het beroemde witte shirt met de extreem smalle, rode baan, zoals door Ajax op die avond gedragen.

Tien jaar later zou Oriali, inmiddels uitgegroeid tot een van de sterkhouders van Inter, het grootste succes uit zijn loopbaan beleven: het WK van 1982, waarbij hij vanaf de laatste groepswedstrijd tegen Kameroen van onschatbare waarde was geweest voor de Azzurri. Niet dat zijn gezwoeg echt opviel tussen de acties van zijn beroemdere ploeggenoten als Marco Tardelli, Giancarlo Antognoni en Bruno Conti. Oriali was de onzichtbare onmisbare kracht, die het gewend was zichzelf weg te cijferen. En juist het belang van een type-Oriali is prachtig bezongen door de Italiaanse zanger Luciano Ligabue. In ’Una vita da mediano’ worden de karakteristieken bezongen die kenmerkend waren voor Oriali: zelfopoffering en alles geven voor het team.

Oriali 2Zonder de technische bagage van de echte toppers pikte hij voor zijn club toch geregeld zijn doelpuntje mee. Je zou hem kunnen vergelijken met Daniele de Rossi. Ondanks twee gewonnen landstitels en twee nationale bekers met Inter is hij door de serenade van Ligabue pas echt in het collectieve bewustzijn van de Italiaanse voetbalwereld opgenomen. Want wie aan het Italiaanse elftal van 1982 denkt, zal eerder op de namen van Dino Zoff en Paolo Rossi komen dan op die van de onooglijke Nummer 13 met het sluike haar en het vlassige snorretje. Vrij vertaald komt de tekst in een notendop hierop neer: ‘Altijd in het midden – zwoegend als Oriali – na jaren van incasseren – kun je zomaar de wereldtitel winnen.’ Met die tekst heeft Ligabue niet alleen Oriali geëerd, maar alle mindere goden die op het middenveld het water dragen voor de grote jongens.

Mackie Messer

Ach, ik zie hem nog zo staan, volledig in trance bij de hem zo dierbare Dreigroschen Oper van Berthold Brecht. Mijn oude leraar Duits, de heer Visser, een fantastische man die er met zijn staccato ‘DERde naamval MEERvoud, Overal twee POten!’ garant voor stond dat ik nu, meer dan  dertig jaar later, nog altijd niet vergeten ben dat je in de derde naamval meervoud overal een ‘n’ moet schrijven. Bij elke beklemtoonde lettergreep tikte hij met de achterkant van een sleutel op zijn bureaublad.

Meneer Visser genoot van het muziekstuk met in de hoofdrol de misdadiger Mackie Messer, de wrede en sinistere antiheld. Talloze malen moest ik het aanhoren:

Und der Haifisch, der hat Zähne

Und die trägt er im Gesicht

Und der Mackie hat ein Messer

Doch das Messer sieht man nicht

GentileAls meneer Visser weer eens helemaal opging in de lotgevallen van Mackie, dwaalden mijn gedachten af naar die ene Italiaanse voetballer, die in de Squadra Azzurra en bij Juventus even hardvochtig en nietsontziend te werk ging als Mackie Messer. Claudio Gentile werd door de hele voetbalwereld met de nek aangekeken, maar ik vond het wel wat hebben: die man die zich volledig opofferde voor het ploegresultaat en deemoedig de schimpscheuten van het publiek en de pers incasseerde als een weliswaar niet prettig, maar onontkoombaar gevolg van zijn rol als vernietiger.

En natuurlijk, in een week waarin veelbezongen helden als Paolo Rossi (60) en Francesco Totti (40) ‘jubileumverjaardagen’ vieren en de speler van het mooiste juichen ooit, Marco Tardelli, 62 wordt, dreigt hij wat in in het niet te verdwijnen. Claudio Gentile, hij die zijn naam wel het minste eer aandeed van alle voetballers in de geschiedenis. Want aardig, nee: dat werd de mandekker-by-trade bepaald niet gevonden. Integendeel. Hij werd verfoeid, veracht, verketterd.

Vandaag wordt Claudio Gentile 63 jaar. De Mackie Messer van het internationale voetbal, wiens mes je niet zag maar die het, als het maar even nodig was, in het been van om het even welke tegenstander stak. Hij dreef op het WK 1982 Diego Maradona tot wanhoop. Maakte Zico het spelen zo goed als onmogelijk. Was Zbigniew Boniek in de halve finale niet geschorst geweest, had hij hetzelfde met de sterke Pool gedaan. En in de eindstrijd maakte hij Pierre Littbarski onzichtbaar. De voetbalwereld moest hem niet. Wat had je aan een speler die de mooiste voetballers het spelen belette? Daar zat toch niemand op te wachten?

De Messi’s en Ronaldo’s van deze tijd mogen zich gelukkig prijzen dat dit type mandekker uitgestorven is, ze zouden het niet eenvoudig hebben gehad. Claudio Gentile was een uiterst betrouwbare pijler onder alle successen van Juventus in de jaren zeventig en tachtig en een onmisbare schakel in de nationale ploeg. Misschien was het niet helemaal toevallig dat juist hij in de WK-finale van 1982 de uitzinnige Marco Tardelli na diens 2-0 en iconische juichren tot staan bracht. Geen ander had de op drift geraakte doelpuntenmaker te pakken kunnen krijgen. En ook niet vaak beschreven, maar wel waar: wie gaf de afgemeten voorzet bij het eerste doelpunt van Paolo Rossi in die wedstrijd?

Buon compleanno, Claudio!

 

Onuitwasbaar tastbaar

Door: Roberto Pennino

PenninoArgDe iconische beelden van de WK-finale 1978 hebben een onuitwisbare indruk gemaakt bij velen die het live hebben meegemaakt. Niet alleen de gelukkigen in het stadion, maar ook zij die via de televisie konden meegenieten, kunnen dat beamen. De tickertape, het verband van René van de Kerkhof en het protest ertegen van de Argentijnen, de snoeiharde overtredingen. De goal van Nanninga, de bal op de paal van Rensenbrink, de verlengingen. Het kon niet anders dan beklijven.

Maar soms heb je toch de herhaling van beelden nodig om het natuurlijke vervagingsproces van je herinneringen een halt toe te roepen. En als de laatste opfrissessie van het geheugen maar lang genoeg geleden is, kun je zowaar het idee krijgen dat je iets nieuws ontdekt op de overbekende beelden van weleer. Voor wie dit wil uitproberen: kijk eens naar een complete wedstrijd uit het verleden. Ik kan het aanbevelen. Zo heb ik de betreffende confrontatie Nederland-Argentinië inmiddels al een keer of wat integraal afgespeeld. Ondanks de voorkennis van de einduitslag heb ik dan een prachtavond. Daar kan menige film qua kijkgenot niet aan tippen. Een hoogwaardige combinatie van historisch drama en misdaad, overgoten met een niet te missen thrillersausje.

Recentelijk had ik een ontmoeting met de gebroeders Van de Kerkhof. Willy en René zouden op mijn verzoek iets meenemen waarvan ik vooraf tot mijn eigen verbazing kriebels in mijn buik had gekregen. Een met een Argentijnse wereldkampioen geruild shirt. Althans, als het goed was ‘hadden zij dat nog ergens thuis liggen’. Op internet vond ik een foto van René en Willy die in de chaos na het laatste fluitsignaal dekking hadden gezocht in een dug-out. Allebei met een Argentijns shirt aan. Maar de foto gaf niets weg over de voormalig eigenaars ervan. En dus bleef vooraf de vraag: met wie hadden ze destijds hun shirt geruild?

Het antwoord kwam al snel. René had niets meer kunnen vinden maar de omstandigheid dat Willy een tasje bij zich had, stemde me hoopvol. Daarna ging het snel. Toen het er eenmaal eruit gevist was, zag ik het meteen. Nummer 4. Ricardo Daniel Bertoni. De man die Nederland met zijn 3-1 het laatste restje hoop op de wereldtitel had ontnomen. Bij het zien van het rugnummer gingen mijn gedachten in een flits terug naar die 25ste juni in 1978. De reacties om mij heen na die 3-1. “Buitenspel!” werd er geroepen. “Overtreding!” Maar de treffer werd niet afgekeurd en dus ging ik niet veel later met een katterig gevoel naar bed.

Nu lag datzelfde stuk textiel dat Bertoni in die wedstrijd, bij die actie, had gedragen, voor me. Voor de grijp. Nog voordat ik het shirt aanraakte, zei Willy verontschuldigend. “Het enige jammere is dat hij gewassen is.” Maar dat maakte in mijn beleving niets uit. Gewassen of niet, de zweem van bloed, zweet en tranen lag in mijn ogen en neus nog steeds in dit shirt besloten. Welk merk wasmiddel had ook weer de slogan ‘Wast door en door schoon?’ Het ging hier niet op. Sommige dingen zijn onuitwasbaar.

Willy en René 65: nooit een sliding

Ze speelden tegen Eusebio. Ze wonnen. Ze gingen niet aan de kant voor Passarella. Cruijff had ze graag in zijn elftal. Ze kruisten de degens met Beckenbauer. Konden  op waardering rekenen van Pelé, die beide broers opnam in zijn lijst van 125 beste voetballers. René sprintte tegen Cabrini, Willy tegen Tardelli. Ze werden getraind door Michels en Rijvers. Deelden de kleedkamer met Jan van Beveren en Willy van der Kuijlen. Wonnen de UEFA Cup, en Willy zelfs de Europa Cup I. Willy en René van de Kerkhof waren spelers die op het allerhoogste wereldtoneel een hoofdrol speelden. En in al die wedstrijden, die vele honderden duels op het hoogste niveau, maakten René en Willy nooit een sliding.

Dat was misschien niet eens bewust, maar alles ging lopend bij de gebroeders. Hard lopend. Dat konden ze goed. René gooide de bal in de diepte, ging rennen en probeerde te scoren of voor te zetten. Combineren? Niet echt. René was een solist. Een goede, dat wel. Willy pakte ballen af. Veel ballen. Beter dan wie ook in de Nederlandse voetbalgeschiedenis. Leverde ze vervolgens in bij Van der Kuijlen en dan ging Willy vaak diep. Een onderbelichte kwaliteit, die loopacties naar voren van de verdedigende middenvelder. Welke defensieve middenvelder van vandaag scoort zes tot acht goals per jaar? Willy deed dat.

Waren ze altijd even populair? Nee, dat niet. Met name René moest het nog weleens ontgelden. Zeker toen hij in 1975 nogal onbehouwen intrapte op Gerrie Mühren, die op de grond lag met de bal onder zich. Ajax-coach Rolink verklaarde doodleuk dat Mühren ‘klinisch dood’ was geweest, maar de Ajacied zelf zei naderhand dat er weinig aan de hand was geweest en dat hij na de wedstrijd zonder problemen met de ploeg in de bus naar Amsterdam was gereden. Wat niet wegnam dat René wekenlang ‘Kerkhof moordenaar’ door de stadions hoorde schallen. En ach, ja: ze deden opzienbarende dingen. In een televisiereclame in een rood-wit gestreept shirt op een tafel slaan en hard roepen: ‘Ik wil Bolletje!’ Een carnavalsplaat opnemen met de verheffende titel ‘Da hedde of da kredde’ (maar kopen kunde ’t nie). Het nummer was geschreven door Bassie en Adriaan. Die combinatie, dat af en toe clowneske, misschien was dat niet helemaal toeval.

René was een individualist, maar je kon op hem rekenen. Altijd dreigend, want altijd snel, altijd doelgericht. Niemand speelde graag tegen René, die van links en rechts even gevaarlijk was. Willy werd een ploegspeler. Niemand deed tevergeefs een beroep op hem. Snel, doortastend, altijd jagend op de bal. Iedereen had het lastig tegen Willy. Beiden waren vaste keuze op het WK 1978. René speelde één helft tijdens het WK 1974 (in de finale, toen hij de kreupele Rensenbrink verving). Willy speelde daar geen seconde. Stel je eens voor, het middenveld van Oranje had dat toernooi ook kunnen bestaan uit Willy van de Kerkhof, Willy van der Kuijlen en Gerrie Mühren. Wat een weelde. Geen haar minder dan Jansen-Neeskens-Van Hanegem. Wat ik u brom!

Vandaag worden Willy en René van de Kerkhof 65 jaar. De kans dat zij ooit nog die sliding zullen maken, neemt met de dag af. En dat harde lopen is ook wel een beetje passé. Maar voetbalmannen zijn en blijven ze in elke vezel van hun lichaam. Het gevoel om als tweeling samen 65 te worden, kopen kunde ’t nie. Da hedde of da kredde.

Carta di Viareggio

Door: Roberto Pennino

Vandaag is het precies negentig jaar geleden dat in Italië een document werd samengesteld dat in ‘De Laars’ heeft gediend als de grondslag voor het huidige professionele voetbal.

Terwijl de FIFA destijds het uitgangspunt van amateurvoetbal nog met hand en tand verdedigde tegen het oprukkende professionalisme, werd in het fascistische Italië een sluwe draai gegeven aan de term ‘amateur’. Een draai die de verhoudingen binnen het mondiale voetbal voor altijd zou veranderen. Net als in veel andere landen konden Italiaanse topspelers voordien hun talenten al wel clandestien te gelde maken. Hoewel ze uiteraard niet officieel op de loonlijst van de clubs stonden, kreeg de één levensmiddelen en de ander een betaalde baan om zich te verbinden aan de betreffende club. Ook vóór 1926 werd geen middel geschuwd om het eigen elftal zo sterk mogelijk te maken, alleen moest het allemaal onder zware geheimhouding gebeuren.

Om de FIFA tevreden te houden en de schijn van amateurisme te kunnen continueren, werd in 1926 de zogenaamde Carta di Viareggio overeengekomen. Dit betekende in de praktijk onder meer dat spelers een verklaring moesten ondertekenen waarin zij aangaven amateur te zijn, waarmee ze tevens gerechtigd werden om openlijk onkostenvergoedingen te vragen voor alle tijd die ze kwijt waren aan hun voetbalactiviteiten. Het trainen en het spelen van wedstrijden hinderde immers om fatsoenlijk brood op de plank te krijgen. Je kon je tijd maar één keer gebruiken, ook in die dagen. Hoewel het in feite neerkwam op een verkapte vorm van professionalisme, kon de FIFA niet anders dan de Carta erkennen als rechtsgeldig binnen de bestaande regelgeving. Het was op het randje, maar niet eroverheen.

CartaEen ander aspect van de Carta was dat vanaf 1926 tijdelijk nog slechts één buitenlandse speler per wedstrijd mocht worden opgesteld, terwijl vanaf 1928 een algeheel verbod op buitenlandse spelers kwam te gelden. Een maatregel die in de lijn lag van het nationalistische karakter van het fascisme en er bovendien voor moest zorgen dat de eigen spelers meer kansen kregen.

Juist die combinatie van verkapt professionalisme en het uitbannen van buitenlandse spelers maakte dat Italiaanse topclubs hun vizier gingen richten op Zuid-Amerikaanse voetballers met Italiaanse voorouders. Het fascistische regime had er namelijk geen enkele moeite mee dergelijke oriundi binnen een mum van tijd een Italiaans paspoort te verschaffen. En dus werd op grote schaal een nieuwe spelersmarkt aangeboord, hetgeen zou leiden tot een nieuwe wereldorde. Italië zou met de oriundi uitgroeien tot de wereldkampioen van 1934 en 1938.

Zeker met de tegenwoordig almaar groeiende influx van buitenlandse spelers en de steeds duizelingwekkender wordende salarissen van de topspelers is een terugblik naar 1926 misschien wel meer dan ooit de moeite waard. In zekere zin heeft de Carta di Viareggio de voetbalwereld net zo opgeschud als het Bosman-arrest in 1995. De vraag is anno 2016 of het mogelijk is om de ontstane klassen binnen het voetbal een halt toe te roepen, zodat ook minder kapitaalkrachtige clubs op termijn weer kunnen meedoen om de prijzen.

Zelfverloochening

Door: Roberto Pennino

DSC01284Uitblinker Gianluigi Buffon zei het treffend na de dramatisch verloren penaltyserie tegen Duitsland: ‘Als je een team hebt met een goede organisatie en een sterke tactiek, is niets onmogelijk.’ De druiven waren zuur voor de Azzurri, maar de trots van de realist overheerste. Wie alles in de strijd werpt en per wedstrijd de tering naar de nering zet, is spekkoper op dit EK. Dat is ook de reden waarom de Italianen zo veel lof oogstten deze zomer. Normaal gesproken het catenaccio afkeurend, hebben veel kenners nu juist respect getoond voor het tactische passen en meten van trainer Antonio Conte en de daarbij passende wedstrijdmentaliteit van zijn spelers.

Zelfs Marco van Basten kon het bekoren. ‘Sport gaat om winnen, het hoeft niet per se leuk te zijn’. Het is een les die eigenlijk al geleerd had moeten zijn. Het spel tijdens de WK van 2014 onder Van Gaal werd door puristen reactievoetbal en Nederland onwaardig genoemd. De term ‘zelfverloochening’ viel zelfs. Maar de splijtende tegenstoten tegen Spanje behoren tot de meest aansprekende beelden uit de recente historie van het Nederlands elftal. Wat is dan wijsheid?

Wanneer het Oranje aangaat, moet het voetbal nu eenmaal herkenbaar en oogstrelend zijn. Daarin zijn we uniek in de wereld. Tiqui-taqa was tussen 2008-2012 het hoogste evangelie in Zeist, maar een Nederlands Tikkie-takka bleek simpelweg te hoog gegrepen. Anno 2016 is ook het gewoonlijke niveau van de Duitsers onbereikbaar. Waarom dan niet haalbaarder doelen stellen? In maart dit jaar werd Italië helemaal weggespeeld door onze oosterburen (4-1). Vriendschappelijk of niet, dat pak slaag deed pijn in De Laars. Met die achtergrond is de prestatie van de Italianen op dit EK meer dan bewonderenswaardig te noemen. Eerst de van kwaliteit bulkende Belgen een lesje leren, om vervolgens een oude rekening te vereffenen met Spanje dat de laatste 8 jaar zo vaak de winst had gepakt. En afgelopen zaterdag was de ploeg tegen de Weltmeister duidelijk de onderliggende partij, maar vochten de mannen van Conte zich terug in de wedstrijd, waarbij gele kaarten voor lief werden genomen.

Het geeft de essentie van het voetbalspel weer: willen winnen, ten koste van alles. Zonder echt over de schreef te gaan. Zo hard mogelijk roeien met de riemen die je hebt. Ter vergelijking: Wales en IJsland stijgen ook niet boven zichzelf uit omdat ze primair de toeschouwers willen behagen. Deze debutanten hangen in dienst van het resultaat hun tactiek volledig op aan de tegenstanders. En met succes. Waarom zou Oranje niet hetzelfde mogen doen: de spelstijl aanpassen aan het eigen spelerspotentieel én aan de kracht van de tegenstander? Niet klakkeloos imiteren maar op maat implementeren is nu het devies. Een realistische impuls is voor het gehele Nederlandse voetbal sowieso allesbehalve een overbodige luxe. Anders verliezen we nog meer terrein ten opzichte van landen waarop wij vroeger neerkeken. Daarbij: een spelstijl belangrijker vinden dan winnen, dat is pas echte zelfverloochening.

Jasjin op de bank?

Valerij Lobanovskij, coach van de Sovjet-Unie, is er blijkbaar nog niet: moet hij komende vrijdag Lev Jasjin of Rinat Dasajev opstellen in de wedstrijd tegen Oost-Duitsland. Beide doelmannen hebben een bewogen WK-geschiedenis achter zich, die voor Jasjin niet altijd even positief was. Met name op het WK 1962 liet hij zich enkele malen op niet bepaald karakteristieke wijze aftroeven. Dasajev speelde zowel in 1982 als in 1986 een sterk WK, maar vond zijn Waterloo als international in 1990, na de eerste wedstrijd tegen Roemenië. Lobanovskij: “Er moeten harde keuzes gemaakt worden.  En nog wel tussen twee doelmannen die ieder land in zijn selectie zou willen hebben. Ik weet het nog niet. Misschien laat ik de vorm van de dag prevaleren. Misschien ga ik ook rouleren. Hetzelfde probleem geldt voor mijn middenveld. Ook daar heb ik keus te over.”

De Sovjet-Unie speelt tegen de DDR a.s. vrijdag. In deze groep won Joegoslavië dinsdag met 3-1 van Chili.

Tsjechoslowakije mixt 1934, 1962 en 1976

In de aanloop naar de eerste wedstrijd van Tsjechoslowakije heeft coach Vaclav Jezek zijn ploeg bekendgemaakt die het tegen Egypte gaat opnemen. In het team staan spelers die in resp. 1934 en 1962 vice-wereldkampioen werden, alsmede Europees kampioenen van 1976.

Doelman Frantisek Planicka en linksbuiten Antonin Puc verloren de WK-finale in 1934 van Italië. Achtentwintig jaar later deden de verdedigers Jan Popluhar, Ladislav Novak en middenvelder Josef Masopust hetzelfde tegen Brazilië. In 1976 werden Karol Dobias, Anton Ondrus en Antonin Panenka Europees kampioen. Zij worden aangevuld met de recentere sterren Pavel Nedved, Karel Poborsky en Jan Koller die weliswaar voor Tsjechië uitkwamen maar voor dit toernooi verkiesbaar waren voor Tsjechoslowakije:

Planicka

Dobias, Popluhar, Ondrus en Novak

Masopust, Nedved en Panenka

Poborsky, Koller en Puc

De Egyptische coach Hassan Shehata daarentegen weigerde zijn ploeg reeds vrij te geven: “Wij maken onze ploeg op de officiële wijze, één uur voor aanvang van de wedstrijd, bekend.”

Egypte-Tsjechoslowakije staat in het Olympia Stadion in München onder leiding van John Langenus, de eerste scheidsrechter die in 1930 een WK-finale floot.

Half 3 uitverkocht
De 18 nummers van Half 3 zijn inmiddels niet meer verkrijgbaar.