Plaatjes laden...
Columns

Ruud Doevendans

Omgekeerd Olympisch

Door: Roberto Pennino

Vandaag is het D-day voor Brazilië. Na tweemaal een meer dan teleurstellende 0-0 te hebben neergezet tegen de laagvliegers Zuid-Afrika en Irak, lijkt de Olympische droom van de Brazilianen verder weg dan ooit. En dat terwijl vedette Neymar alles opzij heeft gezet om de nare smaak van het afgelopen WK weg te spoelen voor eigen publiek. Een groot deel van zijn zomervakantie heeft hij eraan opgeofferd. Nu moet het gebeuren. Het WK van 2014 heeft misschien geen nationaal trauma, maar toch zeker een flinke deuk in het voetbalbewustzijn van zijn landgenoten opgeleverd.

De gouden medaille op de Spelen in eigen land moet karrevrachten aan leed verzachten.

Alexei Mikhailichenko weet hoe zo’n scenario kan uitpakken. De verliezer van de EK-finale tegen Nederland in 1988 toog enkele maanden later naar Seoul om opnieuw op jacht te gaan naar succes. Wonnen de Sovjetrussen in West-Duitsland relatief gemakkelijk van de Italianen in de halve finale (2-0), tijdens de Olympische Spelen moest er tegen de Azzurri een verlenging aan te pas komen om de finale te bereiken (3-2). Daar wachtte het favoriete Brazilië met in de gelederen onder meer de nog relatief onbekende Romario. De toernooitopscorer mocht wel de openingstreffer maken, maar de Sovjetrussen lieten zich de kaas ditmaal niet van het brood eten: 2-1 winst. De missie van Mikhailichenko was geslaagd.

Zilver en goud in een tijdsbestek van drie maanden. In die volgorde. Zoeter kan een revanche bijna niet smaken.

Terug naar Neymar en consorten. Zij moeten eerst nog maar eens de tweede ronde zien te halen, voordat überhaupt aan eremetaal kan worden gedacht. Denemarken heet het volgende obstakel en in de huidige vorm hebben de Olympische Kanaries het tegen elke tegenstander lastig. De druk is immens groot. Het palmares van de Braziliaanse voetbalbond is incompleet. Men wil nu eindelijk eens het briefpapier bijkleuren met Olympisch Goud.

In Barcelona zal men de ontwikkelingen in Brazilië met argusogen volgen. Want het gerede risico bestaat dat naast Messi nog een vedette zwaar teleurgesteld aan het nieuwe seizoen gaat beginnen.

Het is de omgekeerde Olympische gedachte. Als je meedoet, kun je ook verliezen.

Carta di Viareggio

Door: Roberto Pennino

Vandaag is het precies negentig jaar geleden dat in Italië een document werd samengesteld dat in ‘De Laars’ heeft gediend als de grondslag voor het huidige professionele voetbal.

Terwijl de FIFA destijds het uitgangspunt van amateurvoetbal nog met hand en tand verdedigde tegen het oprukkende professionalisme, werd in het fascistische Italië een sluwe draai gegeven aan de term ‘amateur’. Een draai die de verhoudingen binnen het mondiale voetbal voor altijd zou veranderen. Net als in veel andere landen konden Italiaanse topspelers voordien hun talenten al wel clandestien te gelde maken. Hoewel ze uiteraard niet officieel op de loonlijst van de clubs stonden, kreeg de één levensmiddelen en de ander een betaalde baan om zich te verbinden aan de betreffende club. Ook vóór 1926 werd geen middel geschuwd om het eigen elftal zo sterk mogelijk te maken, alleen moest het allemaal onder zware geheimhouding gebeuren.

Om de FIFA tevreden te houden en de schijn van amateurisme te kunnen continueren, werd in 1926 de zogenaamde Carta di Viareggio overeengekomen. Dit betekende in de praktijk onder meer dat spelers een verklaring moesten ondertekenen waarin zij aangaven amateur te zijn, waarmee ze tevens gerechtigd werden om openlijk onkostenvergoedingen te vragen voor alle tijd die ze kwijt waren aan hun voetbalactiviteiten. Het trainen en het spelen van wedstrijden hinderde immers om fatsoenlijk brood op de plank te krijgen. Je kon je tijd maar één keer gebruiken, ook in die dagen. Hoewel het in feite neerkwam op een verkapte vorm van professionalisme, kon de FIFA niet anders dan de Carta erkennen als rechtsgeldig binnen de bestaande regelgeving. Het was op het randje, maar niet eroverheen.

CartaEen ander aspect van de Carta was dat vanaf 1926 tijdelijk nog slechts één buitenlandse speler per wedstrijd mocht worden opgesteld, terwijl vanaf 1928 een algeheel verbod op buitenlandse spelers kwam te gelden. Een maatregel die in de lijn lag van het nationalistische karakter van het fascisme en er bovendien voor moest zorgen dat de eigen spelers meer kansen kregen.

Juist die combinatie van verkapt professionalisme en het uitbannen van buitenlandse spelers maakte dat Italiaanse topclubs hun vizier gingen richten op Zuid-Amerikaanse voetballers met Italiaanse voorouders. Het fascistische regime had er namelijk geen enkele moeite mee dergelijke oriundi binnen een mum van tijd een Italiaans paspoort te verschaffen. En dus werd op grote schaal een nieuwe spelersmarkt aangeboord, hetgeen zou leiden tot een nieuwe wereldorde. Italië zou met de oriundi uitgroeien tot de wereldkampioen van 1934 en 1938.

Zeker met de tegenwoordig almaar groeiende influx van buitenlandse spelers en de steeds duizelingwekkender wordende salarissen van de topspelers is een terugblik naar 1926 misschien wel meer dan ooit de moeite waard. In zekere zin heeft de Carta di Viareggio de voetbalwereld net zo opgeschud als het Bosman-arrest in 1995. De vraag is anno 2016 of het mogelijk is om de ontstane klassen binnen het voetbal een halt toe te roepen, zodat ook minder kapitaalkrachtige clubs op termijn weer kunnen meedoen om de prijzen.

Onvoorspelbaarheidsestafette

Door: Roberto Pennino

 

De volgende teneur wordt in Nederland inmiddels breed gedragen: het afgelopen EK was kwalitatief teleurstellend, de erkende sterren kwamen nauwelijks uit de verf en al met al was het een toernooi om snel te vergeten. Op basis van het vertoonde spel is een dergelijke visie absoluut verdedigbaar. De punt van de stoel werd maar zelden bereikt en alleen omdat ik de Squadra Azzurra een warm hart toedraag, heb ik persoonlijk toch nog enkele mooie en spannende momenten kunnen beleven. Dat zal voor meer supporters van deelnemende landen gelden. Toch heeft het EK op een ander speelbord wel degelijk hoge hogen gegooid.

Anders dan het internationale clubvoetbal de laatste jaren laat zien, vielen er na de groepsfase genoeg verrassingen te noteren. Natuurlijk geldt dit ook voor de prestaties van Wales en IJsland, want wie had hen vooraf ver zien komen? Maar waar ik in dit verband vooral op doel is het breken met tradities. Vanaf de kwartfinale tussen Spanje en Italië hebben we namelijk een mooie reeks van afrekeningen kunnen zien. In sportieve zin dan. Ga maar na. Italië had vanaf 2008 (kwartfinale EK), 2012 (finale EK) en 2013 (halve finale Confederations Cup) altijd verloren van de Furia Roja tijdens toernooien. Op zich geen schande natuurlijk, maar frustrerend was het zeker wel. Een ronde later was daar de titanenstrijd tussen de favoriete Mannschaft en zijn Angstgegner. Het verhaal werd vooraf breed uitgemeten in de pers. Nooit eerder wonnen de Duitsers van de Azzurri op een groot toernooi. Maar nu dus wel, al was het na een tegenvallende wedstrijd met de hakken over de sloot door middel van een bizarre penaltyreeks. Vervolgens ging het stokje over op Frankrijk dat tegen de Duitsers historisch gezien bij voorbaat al met 1-0 achterstond. Maar het pakte goed uit voor Les Bleus die dit jaar de mazzel hadden die in 1982 en 1986 zo nadrukkelijk had ontbroken.

Tot slot leek de uitslag van de finale vooraf in het licht van de historie eigenlijk al beklonken. Driemaal had Frankrijk nu de eindstrijd van een groot toernooi in eigen land bereikt en de twee voorgaande finales werden gewonnen, met nul doelpunten tegen. Daarbij opgeteld de Franse overmacht in de eerdere confrontaties met de Portugezen en je kon de afloop van de eindstrijd al uittekenen met een winnaar in blauw-wit-rood. Mis dus. Portugal nam de handschoen op en bereikte met het stokje in de hand als winnaar de eindstreep. En daar zit ook de schoonheid van het voetbal in. Niet alleen mooi voetbal, maar ook de onvoorspelbaarheid maakt het aantrekkelijk. Wat dat betreft zijn we met z’n allen op basis van de historie gaandeweg het EK meermaals flink op het verkeerde been gezet. En dat is maar goed ook, want anders had het hele toernooi wel schriftelijk kunnen worden afgedaan. Wat blijft hangen is dat iedere wedstrijd op zichzelf staat, en die kan dus ook zomaar gewonnen worden. Ook al wijzen de meeste pijlen op voorhand naar een nederlaag.

Roda eert Rapid, Rapid leert Roda

Door: Roberto Pennino

Roda v2

Nu het EK achter ons ligt, komt langzaam maar zeker de seizoenstart van de Eredivisie in het vizier. Ook in Kerkrade. Frits Schrouff, de Landgraafse zakenman die Roda JC financieel overeind houdt, heeft enkele jaren geleden aangegeven dat hij meer resultaten wil zien van de jeugdopleiding. Maar wie kijkt naar het afgelopen half jaar, moet constateren dat de leiding van de club een totaal andere visie heeft. Afgelopen winterstop fladderde een half elftal aan nieuwe spelers de Kerkraadse duiventil binnen. Bang als men was voor een tweede degradatie binnen twee jaar, rechtvaardigde het doel van handhaving in de eredivisie blijkbaar alle middelen. Op zichzelf begrijpelijk, maar wanneer gaat de eigen jeugd dan wel een échte kans krijgen? Vanaf juni is immers alweer flink ingekocht. Het inpassen van jeugdige talenten lijkt nog steeds geen speerpunt te zijn.

Het doet me denken aan de bijeenkomst van afgelopen januari waarbij een aantal oude helden van Rapid JC, de roemruchte voorloper van Roda JC, in het zonnetje werd gezet. Via een beamer passeerden prachtige polygoonbeelden en foto’s de revue van onder meer de beslissende kampioenswedstrijd tegen NAC in 1956, vandaag precies zestig jaar geleden.

Vooral Huub Bisschops, die met zijn twee treffers het kampioenschap bezegelde, was die avond kritisch over het verschil tussen woord en daad binnen de club. Hij sprak zijn verbazing erover uit hoe weinig succesvol Roda in de eigen regio is met scouten. En dat terwijl de club vanwege haar geografische ligging de luxe heeft om ook gemakkelijk in Duitse en Belgische vijvers te vissen.
De vraag die op tafel kwam, was even cliché als terecht: worden er in Kerkrade en omgeving nog wel talenten geboren? Pierre Vermeulen, zelf een kind van de regio, meent van wel. Hij vindt echter ook dat jonge spelers tegenwoordig nauwelijks nog de ruimte krijgen om hun eigen persoonlijkheid te ontwikkelen. Ze worden vanaf een jaar of zeven alleen maar bijgeschaafd in hun eigen talent en zodoende helemaal niet meer uitgedaagd om uit hun comfortzone te stappen. Volgens Vermeulen kan en moet dit anders. Stap 1: ‘laat jonge talentjes gewoon aanrommelen en fouten maken op alle posities in het veld, zodat er vanzelf weer markante spelerspersoonlijkheden uit de eigen opleiding komen bovendrijven’. Stap 2: ‘de beleidsbepalers moeten de hoofdtrainer opdragen dat hij ieder seizoen minstens drie talenten moét overhevelen naar de A-selectie.’ Pas dan zullen zinloze en dure paniekaankopen tot het verleden gaan behoren.

Wat opviel half januari was dat geen enkele speler van de Roda-selectie aanwezig was bij de nostalgische voetbalavond. Ook niemand van de trainersstaf. Illustratief voor het gebrek aan verbondenheid binnen de geledingen van de club. Een half jaar later hebben veel van die huurlingen het tijdelijke nest alweer verlaten op zoek naar een nieuw avontuur. Het is allemaal te vluchtig voor woorden. Een onderlinge band tussen de spelers is dan een utopie.

Vandaag wordt dus het landskampioenschap van Rapid JC herdacht. Maar belangrijker nog dan dit heuglijke feit te koesteren, zou de manier waarop destijds werd omgegaan met eigen talent moeten dienen als richtsnoer voor de toekomst. Scouten moet immers tastbare resultaten afwerpen. En jeugdspelers moeten niet het idee krijgen dat alles wat van buitenaf komt, een betere beloning krijgt. Zij moeten juist gaan inzien dat ze beloond worden als ze presteren, zoals bij PSV gebeurt. In Eindhoven wordt anno 2016 bovendien de doelstelling uitgesproken dat het eerste elftal in de nabije toekomst voor minstens vijftig procent uit eigen jeugd moet bestaan. Waarom zou dat bij Roda niet ook kunnen?

Ook in 1956 was niet alles pais en vree. Het was het Kerkraadse publiek een doorn in het oog dat de huldiging van de kampioenen niet in Heerlen maar in Kerkrade plaatsvond, hoewel het toch echt Heerlense investeerders waren geweest die de club financieel omhoog hadden getrokken. De betaler bepaalde ook in die dagen al. Financiële injecties van buiten Kerkrade zijn dus zeker niet nieuw. Het verschil is echter dat de spelers die destijds werden aangetrokken, vrijwel allemaal uit de regio kwamen en bovendien lange tijd met elkaar konden samenspelen. Er was binding tussen publiek en spelers en er ontstond vriendschap tussen de spelers, volgens Bisschops een voorwaarde voor goede resultaten. Die tijd krijgen we niet meer terug. Wat echter wel tot de mogelijkheden behoort, is dat over een tijdje verschillende spelers van het eerste elftal het clublied kunnen meezingen. En dat het publiek in Kerkrade zich na jaren van overdreven koopzucht weer kan identificeren met het team. Pas dan zal de missie van Schrouff echt volbracht zijn. Roda los mer joa.

Narcissus

Door: Roberto Pennino

 

Wat een drama was het met Ronaldo afgelopen weekend tijdens de EK-finale. En dan bedoel ik niet zijn uitvallen in het eerste half uur van de wedstrijd. Ik heb het over zijn gemiste kans bij nieuwbakken Europees kampioen Portugal. Zijn voetbalkwaliteiten ten spijt, het elftal ging steeds beter draaien toen zijn vedette al lang en breed onder de douche stond. Dat kan toeval zijn, maar zo was het wel.

Laat ik voorop stellen: Ronaldo kan fantastisch voetballen. Maar zijn maniertjes en zijn doorgefokte egocentrisme stuiten mij tegen de borst. Nooit eerder heeft een voetballer van zijn statuur zo veel liefhebbers mateloos kunnen irriteren. Waarom? Omdat alles bedacht en daardoor onecht lijkt te zijn. Ronaldo is immers de personifiëring van commercie geworden. Zijn juichen is nauwelijks nog een spontane uiting van vreugde te noemen, maar pure statusopdrijving. Want CR7 is een merk. Nou is hij daarin zeker niet de enige, maar wat hem in negatief opzicht uniek maakt ten opzichte van veel andere grote spelers, is dat hij zijn ploeggenoten zo ontstellend weinig credits geeft. Althans voor de kijker thuis.

Afgelopen zondag gloorde er echter hoop toen hij zich gaandeweg de verlenging steeds meer als een soort veredelde assistent-bondscoach profileerde langs de lijn. Gedreven schreeuwde hij zijn ploeggenoten naar voren, maakte hij veelvuldig contact met zijn coach en leek eindelijk een vorm van sociaal gedrag in hem te ontwaken. Zijn vreugde-explosie na het laatste fluitsignaal leek dan ook oprecht. Omdat Ronaldo al zo lang een prijs wilde winnen met zijn land en al een keer een EK-finale in eigen land verloren had, was het voor de meeste toeschouwers absoluut invoelbaar dat hij volledig uit zijn dak ging. So far, so good. Maar wat na de uitreiking van Euro-bokaal gebeurde, drukte alle hoop op een ommekeer in de publieke verschijning van Ronaldo helaas meteen weer de grond in.

Want voor iemand die zijn ploegmaats op z’n knieën zou moeten danken voor het behaalde resultaat, was Ronaldo belachelijk prominent in beeld. Een ruwe schatting misschien, maar ik denk dat hij zo maar rond de tachtig procent van de post-match airtime heeft opgeslorpt met de beker in zijn handen. Een échte leider betrekt de andere spelers bij het feestje, dat behoort een normale omgangsvorm te zijn. Zeker nu had hij als non-playing captain de eer nadrukkelijk aan anderen moeten laten. Maar hij eiste als vanouds alle aandacht op. Op het lachwekkende af. Misschien dat Ronaldo niet weet wat de betekenis is van ‘de eer aan jezelf houden’, want jezelf zo bewieroken terwijl anderen alle werk hebben opgeknapt, is volgens mij niets anders dan stank voor dank. Er is dus niets veranderd. Bij Ronaldo is de geur van narcisme nooit ver weg.

Cup of kater?

Door: Roberto Pennino

 

Net als in 1984 en 1998 staat Frankrijk als thuisland in de finale van een groot landentoernooi. Op zichzelf een ongelooflijke prestatie. Het verschil met de eerdere evenementen is dat nu een geniale spelmaker ontbreekt bij de haantjes. Michel Platini domineerde het toernooi van ’84 op een manier die nooit eerder en nadien evenmin nog gezien is. Hij kon alles, deed alles en hij had het geluk dat zo’n beetje alles ook lukte. Snoekduiken, penalties, kopballen. Midas Michel veranderde iedere kans in goud. Zijn coach Hidalgo zei voor aanvang van de EK in 1988 al eens: ‘Vergeet niet dat het ideale EK al is gespeeld’. En ik geloof niet dat er een team, het Oranje van 1988 noch het Grote Spanje van 2008 en 2012, die uitspraak ooit helemaal heeft kunnen logenstraffen.

Portugese Ronaldo, over wie later meer, heeft dit EK de negen treffers van Platini geëvenaard, kopte zo’n beetje elke zichzelf respecterende sportkrant de afgelopen dagen. Maar daar klopt alleen cijfermatig iets van. Evenaren is op gelijke voet komen en wat dat betreft mag Ronaldo in mijn bescheiden wereldbeeld Platini’s veters nog niet strikken. Wat Just Fontaine voor de WK’s betekent, heeft Platini voor de EK’s gedaan: de lat bijkans onbereikbaar hoog gelegd voor alle generaties na hem. Ook al wordt de EK-eindronde ooit gespeeld door 64 landen en krijgen spelers acht of negen wedstrijden de kans om Platini in één toernooi naar de kroon te steken, het zal ze waarschijnlijk niet lukken. Voor wie het niet (meer) weet: het waren echt negen treffers in slechts vijf wedstrijden. Een duizelingwekkend gemiddelde. Toch heeft Frankrijk ook anno 2016 zo langzamerhand de meest in het oog springende speler in de gelederen: Antoine Griezmann. Snel, doelgericht en gaandeweg het toernooi steeds meer gezegend met dezelfde scoorflow als zijn illustere voorganger.

Portugal daarentegen parasiteert nog steeds op de kwaliteiten van een steeds minder vaak uitblinkende Ronaldo. Een exceptionele voetballer met het vermogen om desondanks veel voetballiefhebbers tegen zich in het harnas te jagen. Ik gun hem de Europese titel daarom slechts onder voorbehoud. Als het zo ver komt, moet hij voor één keer niet in de camera’s kijken, zijn shirt aanhouden en alle overige ingestudeerde maniertjes achterwege laten. Ik wil het jongetje in hem zien lachen of huilen van vreugde. Als hij dat kan opbrengen, zal ik voor hem applaudisseren.

Ik zal zondag hoe dan ook denken aan zijn Braziliaanse naamgenoot, die er in de WK-finale van 1998 totaal niet aan te pas kwam tegen de Fransen van vedette Zidane, die op dat moment surprême wél presteerde met twee treffers. Ronaldo werd vier jaar later alsnog wereldkampioen met Brazilië. En dus werd het drama van 1998 weggepoetst. Finales zijn nu eenmaal defining moments. Worden Platini en Zidane met succes opgevolgd door Griezmann of kan Ronaldo met Portugal de verloren EK-finale van 2004 doen vergeten? Daarin zit hoe dan ook tragiek want een van beide ploegen heeft na afloop een grotere kater dan elk land dat al eerder is uitgeschakeld. Tweede worden is en blijft een kwelling.

Duitsland is het nieuwe Nederland

Ooit was het Duitse voetbal gehaat in vrijwel de hele wereld. Duitsers speelden saai. Er stond zelden (Beckenbauer, Netzer, Overath daargelaten) een fraaie technicus op. En áls die er dan een keer was, dan was het ook meteen een arrogante verschijning. Die er overigens ook al voldoende waren, indien de technische kwaliteiten wat minder voorhanden waren. Duitsers waren weinig creatieve, voorspelbare en vaak vervelende voetballers.

Maar ze verdedigden hard, stug en succesvol. Beten zich in hun tegenstander vast, lieten niet los en daardoor was het aartsmoeilijk tegen ze te scoren. En ze waren koel. Zond je een Duitser naar de strafschopstip, was het strijk-en-zet een doelpunt. Duitsers faalden niet vanaf elf meter, waren tegen elke druk bestand. Het was onderdeel van hun dodelijk precisie bij het afwerken op doel. Een kans voor een Duitser was in veruit de meeste gevallen raak.

Saai, arrogant, vasthoudend, niet te intimideren, zakelijk. Conditioneel niet te kloppen. En afschuwelijk succesvol. Dat was het (West-)Duitse voetbal decennialang.

En kijk nu eens, in de 21e eeuw. Het roer is volledig omgegaan. Duitsland kan wel drie nationale elftallen opstellen met technisch prachtige spelers. Soepel gaat het balletje rond, elke Duitser beheerst de bal. En van arrogantie geen spoor meer. De ‘nieuwe Duitser’ is een prettige, veelal bescheiden persoonlijkheid die zich hoffelijk gedraagt. Welk ouderpaar van een twintigjarige dochter zou niet Julian Draxler, Joshua Kimmich of Jonas Hector als schoonzoon willen?

Maar verdedigend doen ze soms rare dingen. Boateng en Schweinsteiger maken onhandig (gekke term) hands en krijgen volkomen onnodig strafschoppen tégen. Mandekkers die van alles doen, behalve de man dekken. Gisteravond bij het ZDF liet een analiticus het haarfijn zien. Daar schrok je van, hoeveel ruimte de Franse aanvallers kregen. Soms stonden er zo maar drie volledig vrij, en een handjevol Duitsers dat op afstand naar de bal keek maar de tegenstander allang kwijt was. Tegen Italië miste Duitsland méér penalties tijdens een penaltyreeks dan in de veertig jaar daarvoor dat dit fenomeen bestaat. Alleen omdat Pellè en Zaza hun eigen showtje gingen opvoeren, overleefde Duitsland. En er ontstaat nu zowaar een heuse discussie omdat het Duitse voetbal na Mario Gomez geen enkele echte spits meer kent. Oliver Kahn zei gisteravond al: “Leuk dat mooie voetbal, maar iemand moet dat ding er wel inschieten!”

Natuurlijk, niet vergeten: onze oosterburen pakten de wereldtitel twee jaar geleden, met een elftal compleet gebaseerd op de nieuwe visie. Maar het was hun enige titel sinds 2006, toen de nieuwe normen begonnen te gelden. Tussen 1970 en 1996 pakte (West-)Duitsland op basis van de oude waarden vijf grote titels en speelde het ook nog eens vier verloren finales. En voor al hun Europa Cups kwamen ze voorheen ook al prijzenkasten tekort. Hun schier onuitputtelijke arsenaal aan voetballers stond altijd al garant voor veel goede spelers, in welke stijl dan ook.

Conditioneel is Duitsland nog altijd de beste. Het is de enige waarde die ze behouden hebben. Verder lijkt alles verbeterd. Duitsland is geliefd, speelt prachtig, et cetera. Geldt als voorbeeld van ‘hoe het moet’. Maar Duitsland is ook het nieuwe Nederland geworden. Als de prijzen uitgereikt worden, zitten de Duitsers vaak al in het vliegtuig naar huis.

Zelfverloochening

Door: Roberto Pennino

DSC01284Uitblinker Gianluigi Buffon zei het treffend na de dramatisch verloren penaltyserie tegen Duitsland: ‘Als je een team hebt met een goede organisatie en een sterke tactiek, is niets onmogelijk.’ De druiven waren zuur voor de Azzurri, maar de trots van de realist overheerste. Wie alles in de strijd werpt en per wedstrijd de tering naar de nering zet, is spekkoper op dit EK. Dat is ook de reden waarom de Italianen zo veel lof oogstten deze zomer. Normaal gesproken het catenaccio afkeurend, hebben veel kenners nu juist respect getoond voor het tactische passen en meten van trainer Antonio Conte en de daarbij passende wedstrijdmentaliteit van zijn spelers.

Zelfs Marco van Basten kon het bekoren. ‘Sport gaat om winnen, het hoeft niet per se leuk te zijn’. Het is een les die eigenlijk al geleerd had moeten zijn. Het spel tijdens de WK van 2014 onder Van Gaal werd door puristen reactievoetbal en Nederland onwaardig genoemd. De term ‘zelfverloochening’ viel zelfs. Maar de splijtende tegenstoten tegen Spanje behoren tot de meest aansprekende beelden uit de recente historie van het Nederlands elftal. Wat is dan wijsheid?

Wanneer het Oranje aangaat, moet het voetbal nu eenmaal herkenbaar en oogstrelend zijn. Daarin zijn we uniek in de wereld. Tiqui-taqa was tussen 2008-2012 het hoogste evangelie in Zeist, maar een Nederlands Tikkie-takka bleek simpelweg te hoog gegrepen. Anno 2016 is ook het gewoonlijke niveau van de Duitsers onbereikbaar. Waarom dan niet haalbaarder doelen stellen? In maart dit jaar werd Italië helemaal weggespeeld door onze oosterburen (4-1). Vriendschappelijk of niet, dat pak slaag deed pijn in De Laars. Met die achtergrond is de prestatie van de Italianen op dit EK meer dan bewonderenswaardig te noemen. Eerst de van kwaliteit bulkende Belgen een lesje leren, om vervolgens een oude rekening te vereffenen met Spanje dat de laatste 8 jaar zo vaak de winst had gepakt. En afgelopen zaterdag was de ploeg tegen de Weltmeister duidelijk de onderliggende partij, maar vochten de mannen van Conte zich terug in de wedstrijd, waarbij gele kaarten voor lief werden genomen.

Het geeft de essentie van het voetbalspel weer: willen winnen, ten koste van alles. Zonder echt over de schreef te gaan. Zo hard mogelijk roeien met de riemen die je hebt. Ter vergelijking: Wales en IJsland stijgen ook niet boven zichzelf uit omdat ze primair de toeschouwers willen behagen. Deze debutanten hangen in dienst van het resultaat hun tactiek volledig op aan de tegenstanders. En met succes. Waarom zou Oranje niet hetzelfde mogen doen: de spelstijl aanpassen aan het eigen spelerspotentieel én aan de kracht van de tegenstander? Niet klakkeloos imiteren maar op maat implementeren is nu het devies. Een realistische impuls is voor het gehele Nederlandse voetbal sowieso allesbehalve een overbodige luxe. Anders verliezen we nog meer terrein ten opzichte van landen waarop wij vroeger neerkeken. Daarbij: een spelstijl belangrijker vinden dan winnen, dat is pas echte zelfverloochening.

Zoetemelkzilver

Door: Roberto Pennino

Als iemand weet hoe het voelt om te winnen, is het Lionel Messi wel. Zijn erelijst is bekend. Lange tijd leek het erop dat hij wonderwel om tegenslagen heen kon slalommen. Het uitblijven van blessures hielp natuurlijk een handje, net als de enorme gunfactor die hij over de hele wereld had en heeft vanwege zijn unieke talent om te voetballen als een jongetje van een andere planeet. Maar topsport is keihard. Finales halen is mooi, maar als je ze verliest, heb je er alleen maar narigheid van. Tweede worden telt niet. En dat is nog zacht uitgedrukt. Want het tikt wel degelijk aan, in negatief opzicht dan.

Was de verloren Copa America-finale in 2007 nog een incident voor het veulen Messi, nu het volgroeide raspaard in hem drie grote landenfinales binnen even zoveel kalenderjaren heeft verloren, lijkt het heilige vuur gedoofd. Hij heeft aangegeven zijn interlandcarrière per direct te willen beëindigen. Nooit meer Messi in het magische Argentinië-shirt? Het is moeilijk voor te stellen. Het WK over twee jaar zonder de beste speler ter wereld? Een gotspe. De parallel met Johan Cruijff dringt zich hier op. Kun je met nul gewonnen prijzen in het shirt van je land toch de beste speler van je generatie zijn? Ik zeg volmondig ‘ja’. Cruijff was het en Messi is het. Maar zuur blijft het. Als je zo dicht bij een prijs bent, kun je deze als het ware aanraken. En voelt verlies als beroofd worden van iets dat je nooit feitelijk hebt gehad. En meestal krijg je geen tweede kans, geen replay. Messi kreeg hem wel tegen Chili, maar verzilverde die niet. Of juist wél, als je het laatste werkwoord letterlijk neemt.

En dat is tegelijkertijd de tragiek van zijn interlandloopbaan. Een perfect huwelijk is het nooit geweest, maar de intentie om met elkaar door te gaan is er altijd geweest tussen Argentinië en zijn sterspeler. Tot nu. Hopelijk komt er nog een actie die Messi (in tegenstelling tot Cruijff in 1978) in 2018, veertig jaar nadien, wel over de streep gaat trekken. Want Messi moet niet de Joop Zoetemelk worden van het interlandvoetbal. Niet altijd tweede. En daarom moet Messi tegelijkertijd ook een voorbeeld nemen aan diezelfde Zoetemelk, die wel doorging tot hij de Tour de France had gewonnen. En op zijn 38ste alsnog wereldkampioen werd.

 

De twee J’s

Waar die jongen die later zo vaak naast hem zou spelen in Oranje met veel klaroengeschal als een supertalent werd onthaald, werd hijzelf rustig gebracht. Naar zijn aard. Zijn latere Oranje-maatje heette een talent van wereldniveau, hijzelf hooguit een bruikbare kracht in de subtop. Die andere jongen debuteerde dan ook al vroeg in 2004 in het Nederlands elftal, ging mee naar het EK dat jaar, terwijl hij nog maar net twintig was.

Na zes jaar Willem II kwam Co Adriaanse namens AZ. Die kende hem nog van de gezamenlijke en succesvolle tijd in Tilburg en kon een stabiele kracht in zijn verdediging wel gebruiken. Zowaar werd hij – het land snapte er niets van – opgeroepen door bondscoach Marco van Basten. Maar ja, die riep ook Romano Denneboom op. Dave van den Bergh. Martijn Meerdink. Allemaal spelers die meteen weer wegvielen. Eenzelfde lot zou die centrale verdediger, 24 jaar al, van AZ ook wel beschoren zijn.

Niet dus. Hij werd een vaste kracht in Oranje en kreeg in 2006 de kans van zijn leven toen de Duitse topclub Hamburger SV op de stoep stond. Even later verkaste zijn compagnon in Oranje naar Atletico Madrid. Naar Fulham, naar Everton. Hijzelf bleef vijf jaar in Hamburg. En ondertussen speelden ze samen interland na interland voor het Nederlands elftal. Werden ze goed. Niet zozeer individueel, zelfs dat wereldtalent naast hem niet, maar vooral samen. Ze raakten op elkaar ingespeeld. Kwamen ver op het EK 2008. En haalden de eindstrijd van het WK in Zuid-Afrika. Waar hijzelf de kwartfinale aan zich voorbij moest laten gaan met een knieblessure. Enkele minuten voor aanvang gaf hij uit eigen beweging aan: het is beter dat een ander speelt. Voor het team. Want professional ben je altijd. Ook in aanloop naar de wedstrijd van je leven.

In die finale tegen Spanje kreeg de speler rechts van hem de rode kaart. Hijzelf had de winnende treffer op zijn schedel-met-wijkende-haargrens liggen, maar hij kopte net over. Miste zijn persoonlijke afspraak met de wereldgeschiedenis op een halve meter.

Die andere speler eindigde op 87 interlands, hij op 84. Het was ongelooflijk hoe beider loopbanen gelijkop liepen. Tot het moment van het afscheid. Daarin was niets hetzelfde.

Die andere jongen nam begin dit jaar, nog slechts 32 jaar maar totaal versleten, afscheid. Op de schouders van ploeggenoten, luid toegezongen door een volle Arena. Die hem nog zo graag weer als vanouds aan het werk had gezien. Daarna verscheen die speler in talloze televisieprogramma’s, als analist of sidekick. Die speler, die toch ook al jaren geleden voor het laatst écht iets gepresteerd had, werd gevierd alsof hij een held was. Hijzelf nam geruisloos afscheid bij Feyenoord, nadat hij al even onopgemerkt op de achtergrond was geraakt achter aanstormende nieuwkomers als Sven van Beek en Terence Kongolo. Waar zijn maatje op rechts nog weleens zei dat hij meer kansen had verdiend, wist de ingetogen Goirlenaar wel dat het beste eraf was.

Zojuist las ik dat Joris Mathijsen Technisch Manager wordt bij Willem II. Ook dat zal hij vakkundig uitvoeren. Bescheiden, professioneel.

Half 3 uitverkocht
De 18 nummers van Half 3 zijn inmiddels niet meer verkrijgbaar.