Plaatjes laden...
Columns

Ruud Doevendans

Sesto van een Oude Dame

Door: Roberto Pennino

 

De krappe overwinning van Juventus op AS Roma (1-0) kan weleens grote gevolgen hebben voor het Italiaanse voetbal. Het verlies van Strootman c.s. betekent dat de Italiaanse competitie nogal wat aan spanning heeft heeft ingeboet. Sterker nog, met alle steken die de directe concurrenten met regelmaat laten vallen, kan Juve de landstitel 2016-2017 nauwelijks nog ontgaan.

Onder de stand van de ranglijst borrelt nog iets anders. Klaar om zich een weg naar buiten te banen: wanneer Juventus er inderdaad in slaagt de titel te pakken, gaat er een stokoud record aan diggelen. De Bianconeri gaan dan de annalen in als de eerste club die maar liefst zesmaal achtereen de scudetto verovert. Want dat staat ook op het spel: de ‘eeuwige’ roem van een sesto titolo consecutivo.

In het verleden zijn er drie clubs geweest die tot vijf elkaar opvolgende titels zijn gekomen: allereerst Juventus zelf (vanaf 1931 tot en met 1935), stadgenoot Torino (vanaf 1943 tot en met 1949, met een onderbreking door de Tweede Wereldoorlog) en recenter nog Internazionale (vanaf 2006 tot en met 2010). Vooral die laatste reeks ligt de Juventusfans nog altijd zwaar op de maag vanwege het zogenaamde Calciopoli schandaal. Na de ontrafeling van de grootste voetbalmanipulatie ooit in Italië werd geen club zo zwaar gestraft als De Oude Dame: de door Juve behaalde landstitel van 2006 werd de club ontnomen en toegekend aan Internazionale met op de koop toe een vernederende degradatie naar de Serie B. Het is met die achtergrond dat de die hard tifosi van Juventus de reeks van Inter weigeren te accepteren en vinden dat alleen in Turijn ooit het echte kwintet is volbracht.

Wanneer wordt ingezoomd op de respectievelijke prestaties van Juventus en Torino, houdt dit de stad Turijn intern extreem verdeeld. Daar waar de zogenaamde Quinquennio d’Oro (het gouden lustrum) van Juventus aan geen enkele twijfel onderhevig lijkt te zijn, bestaan er aangaande de reeks van Torino wel wat haken en ogen. Natuurlijk kan het geen enkele club worden verweten dat een oorlog van wereldformaat de competitie enkele jaren heeft stilgelegd, maar in 1944 gebeurde er iets dat uit alle officiële lijsten is geschrapt. In een onofficieel toernooi om de oorlogstitel, het Campionato Alta Italia, werd het grote Torino, de regerend landskampioen, in een finaleronde verslagen door de amateurs van het brandweerkorps van VV.FF. Spezia. Hoewel deze vergeten competitie in 2002 alsnog officieel door de Italiaanse voetbalbond werd erkend, kreeg de door de brandweermannen behaalde titel slechts de status van ’eretitel’. In de lijst van landskampioenschappen schittert het hele gebeuren evenwel door afwezigheid. De andere kant van de medaille is dat de Toro-fans verwijzen naar de vliegramp van Superga, waarbij de meeste spelers van het beroemde Grande Torino het leven lieten. Zonder die ramp had Torino in hun ogen misschien wel zes, zeven of acht titels achter elkaar kunnen behalen.

Hoe dan ook is de ‘Sesto’ een heet hangijzer dat naarmate de competitie vordert, steeds meer de focus zal krijgen. Het heeft er alle schijn van dat Juventus hard op weg is om de geschiedenis te gaan herschrijven. Slechts een grote ramp, een oorlog of een omkoopschandaal lijkt nog roet in het eten te kunnen gooien.

Troostpoëzie

Door: Roberto Pennino

 

De vliegramp met de Braziliaanse club Chapecoense houdt de gemoederen natuurlijk over de hele wereld bezig. Hoe heeft het kunnen gebeuren? Zijn er verantwoordelijken aan te wijzen? Het zal wel. Of niet. Feit is dat het gebeurde nooit ongedaan kan worden gemaakt. De dood laat zich niet terugfluiten.

SupergaIn 1949 verongelukte een ander voetbalteam: Il Grande Torino. Achttien spelers van de regerend landskampioen van Italië vonden de dood vlak buiten Turijn, tegen de basiliek van Superga. De weersomstandigheden vormden de grote spelbreker: mistig, regenachtig en de piloot had het allemaal niet zien aankomen. De Milanese journalist Indro Montanelli zette op 5 mei 1949, onmiddellijk na de vliegramp, zijn gevoelens over de ramp als volgt op papier:

De helden zijn altijd onsterfelijk in de ogen van degenen die in hen geloven. En daarom geloven de jongetjes dat het elftal van Torino niet dood is, het is slechts onderweg…’

Montanelli leek zichzelf en zijn lezers te willen troosten met de gedachte dat de jongste fans hun voetbalhelden zouden blijven imiteren op de pleinen in de stad, en dat het voor hen weinig verschil zou maken dat die helden zelf geen bal meer konden aanraken. Ze zouden zich waarschijnlijk nog steeds Mazzola, Loik of Gabetto blijven noemen tot het moment waarop ze, ouder geworden, niet meer om de waarheid heen konden.

In Brazilië is de verslagenheid ongetwijfeld vergelijkbaar met die van ruim 67 jaar geleden in Italië. Ook bij de jeugdige supporters. De jongetjes en meisjes wier wereld met de collectieve dood van hun helden is ingestort. Verdriet is van alle tijden en de verslagenheid grijpt wild om zich heen bij een gebeurtenis als deze. Zonder aanziens des persoons. Want niet alleen degenen die het niet hebben overleefd zijn slachtoffers, ook hun familieleden, vrienden, kennissen en supporters zullen het litteken van de ramp altijd met zich meedragen.

Met het neerstorten van het vliegtuig zijn bovendien ook vele dromen in het niets opgelost. Boem, weg. Niet alleen het spelen van de Copa Sudamericana-finale is van de baan. Ook de individuele hoopjes en verwachtinkjes zijn meegesleurd in de val. En dan moet het moeilijkste nog komen. Want pas wanneer de gevallen helden zijn geëerd en de rouwboeketten zijn verwelkt, dringt de harde werkelijkheid van het dagelijkse leven echt volledig door.

Ook dit post mortem aspect heeft Montanelli prachtig verwoord. Want je kunt jezelf niet blijven ontzien met mooie gedachten over de overledenen.

‘Maar morgen al begint het onkruid te groeien op de graven van die achttien jonge atleten die een homerische, eeuwige, wonderbaarlijke jeugd leken te symboliseren.’

Hier past alleen nog stilte en respect voor iedereen die betrokken is bij de overleden spelers van Chapecoense. En een diepe buiging voor Montanelli die heeft laten zien dat journalistiek niet alleen om feitelijkheden draait, maar ook om gevoelens en menselijkheid. Zijn poëtische regels kunnen misschien ook anno 2016 mensen enige troost bieden.

Onzichtbaar onmisbaar

Door: Roberto Pennino

 

Vandaag is Gabriele Oriali 64 jaar geworden. Geen naam die onmiddellijk een belletje doet rinkelen in Nederland. Alleen de oudere voetbalsupporters zullen zich hem misschien kunnen herinneren. Vooral van 1972 en wellicht een beetje van 1982.

Oriali 1Op 31 mei 1972 kwam de destijds negentienjarige middenvelder Oriali in de Rotterdamse Kuip regelmatig oog in oog te staan met de beste voetballer van de wereld van dat moment: Johan Cruijff. Een persoonlijk succes werd het niet voor de jongeling, want Nummer 14 scoorde in hoogsteigen persoon de twee doelpunten die ervoor zorgden dat Internazionale kansloos de Europa Cup 1-finale met 2-0 verloor. Er zijn prachtige beelden van: Oriali die in de luren wordt gelegd door Cruijff, Oriali die in de achtervolging is op Cruijff en, uiteindelijk, Oriali die de maestro uit arren moede even vastpakt. In die periode vaak de enige manier om Cruijff, al was het maar even, aan banden te kunnen leggen. Toch heeft de verliezend finalist van toen zich laten ontvallen dat een van de meest dierbare herinneringen aan zijn loopbaan juist die finale is geweest. Met als tastbaar aandenken het beroemde witte shirt met de extreem smalle, rode baan, zoals door Ajax op die avond gedragen.

Tien jaar later zou Oriali, inmiddels uitgegroeid tot een van de sterkhouders van Inter, het grootste succes uit zijn loopbaan beleven: het WK van 1982, waarbij hij vanaf de laatste groepswedstrijd tegen Kameroen van onschatbare waarde was geweest voor de Azzurri. Niet dat zijn gezwoeg echt opviel tussen de acties van zijn beroemdere ploeggenoten als Marco Tardelli, Giancarlo Antognoni en Bruno Conti. Oriali was de onzichtbare onmisbare kracht, die het gewend was zichzelf weg te cijferen. En juist het belang van een type-Oriali is prachtig bezongen door de Italiaanse zanger Luciano Ligabue. In ’Una vita da mediano’ worden de karakteristieken bezongen die kenmerkend waren voor Oriali: zelfopoffering en alles geven voor het team.

Oriali 2Zonder de technische bagage van de echte toppers pikte hij voor zijn club toch geregeld zijn doelpuntje mee. Je zou hem kunnen vergelijken met Daniele de Rossi. Ondanks twee gewonnen landstitels en twee nationale bekers met Inter is hij door de serenade van Ligabue pas echt in het collectieve bewustzijn van de Italiaanse voetbalwereld opgenomen. Want wie aan het Italiaanse elftal van 1982 denkt, zal eerder op de namen van Dino Zoff en Paolo Rossi komen dan op die van de onooglijke Nummer 13 met het sluike haar en het vlassige snorretje. Vrij vertaald komt de tekst in een notendop hierop neer: ‘Altijd in het midden – zwoegend als Oriali – na jaren van incasseren – kun je zomaar de wereldtitel winnen.’ Met die tekst heeft Ligabue niet alleen Oriali geëerd, maar alle mindere goden die op het middenveld het water dragen voor de grote jongens.

Leren van de Duitsers. Hoe het niet moet.

Het gaat slecht met het Nederlandse voetbal. Oranje is afgehaakt aan de internationale top en de clubs brengen er Europees doorgaans weinig van terecht. We weten het inmiddels wel. Het is allemaal geen nieuws.

Zoals ons land jarenlang internationaal trendsetter was, zijn nu de Duitsers dat. Het arrogante, verdedigende, naargeestige ‘Laufpensum und Kampfgeist’ voetbal dat de oosterburen vaak speelden, is na het echec van het EK 2000 ingeruild voor veel aantrekkelijker, technisch voetbal. Kijk eens hoe mooi en succesvol voetbal gecombineerd kunnen worden, is overal te horen. De Duitsers hervormden hun aanpak, behielden hun oude waarden en voegden er die van ons aan toe. Zo heet dat tegenwoordig. Laten wij hun kunstje afkijken.

Niet doen, dus.

In weerwil van hetgeen iedereen elkaar wil doen geloven, heeft het Duitse voetbal op het gebied van succes de afgelopen twaalf jaar een flinke jas uitgedaan. Het is eenvoudig af te lezen aan de cijfers. En zoals wij allen weten, cijfers vertellen de waarheid.

Tussen 1966 en 2004 behaalde (West-)Duitsland de volgende grote successen:

WK’s – 2x winnaar, 4 verloren finales

EK’s – 3x winnaar, 2 verloren finals

Europa Cup I / Champions League – 6x winnaar, 6 verloren finales

UEFA Cup / Europa League – 6x winnaar, 7 verloren finales

Oftewel bij elkaar 36 finaleplaatsen (waarvan 17 als winnaar)

 

Dan de periode 2004-2016, daarin noteren we de volgende cijfers voor Duitsland:

WK’s – 1x winnaar, 0 verloren finales

EK’s – 0x winnaar, 1 verloren finale

Champions League – 1x winnaar, 3 verloren finales

Europa League – 0x winnaar, 1 verloren finale

Oftewel bij elkaar 7 finaleplaatsen (waarvan 2 als winnaar)

 

Natuurlijk, we vergelijken 38 jaar met 12 jaar, hetgeen niet eerlijk is. Daarom vermenigvuldigen we simpelweg de resultaten van 2005-2016 met (38/12 =) 3,17.

Het aantal finaleplaatsen wordt dan 36 om 22, het aantal overwinningen 17 om 6. Duitsland heeft zijn aloude, oerlelijke, verfoeide stijl ingeruild voor frivool voetbal. Of het mooier is, daarover kun je van mening verschillen. Of het succesvoller is, niet. De successen zijn (als we een titel voor 2 tellen en een finaleplaats voor 1) met 46 procent afgenomen.

Duitsland heeft veel veranderd. Er zijn landelijke opleidingscentra gekomen, de stijl is gemoderniseerd, je kunt het zo gek niet bedenken. Maar ze zijn er wel veel minder door gaan winnen. Veeleer is aan te nemen dat Duitsland, met zijn sterk verankerde voetbalcultuur en enorme vijver waaruit gevist kan worden, vrijwel altijd – ongeacht de stijl, ongeacht de visie – een sterke bodem voor resultaten zal hebben. Waarschijnlijk had ook Duitsland in de jaren 1998 tot en met 2004, hoewel in 2002 nog ‘gewoon’ de WK-finale werd gehaald, even een mindere lichting. Aannemelijk was het land beter af geweest als men toen rustig was gebleven en niet alles overhoop had gehaald. Dan was het Duitse voetbal nog steeds niet populair geweest, maar had het land wél meer titels in de wacht gesleept.

Mackie Messer

Ach, ik zie hem nog zo staan, volledig in trance bij de hem zo dierbare Dreigroschen Oper van Berthold Brecht. Mijn oude leraar Duits, de heer Visser, een fantastische man die er met zijn staccato ‘DERde naamval MEERvoud, Overal twee POten!’ garant voor stond dat ik nu, meer dan  dertig jaar later, nog altijd niet vergeten ben dat je in de derde naamval meervoud overal een ‘n’ moet schrijven. Bij elke beklemtoonde lettergreep tikte hij met de achterkant van een sleutel op zijn bureaublad.

Meneer Visser genoot van het muziekstuk met in de hoofdrol de misdadiger Mackie Messer, de wrede en sinistere antiheld. Talloze malen moest ik het aanhoren:

Und der Haifisch, der hat Zähne

Und die trägt er im Gesicht

Und der Mackie hat ein Messer

Doch das Messer sieht man nicht

GentileAls meneer Visser weer eens helemaal opging in de lotgevallen van Mackie, dwaalden mijn gedachten af naar die ene Italiaanse voetballer, die in de Squadra Azzurra en bij Juventus even hardvochtig en nietsontziend te werk ging als Mackie Messer. Claudio Gentile werd door de hele voetbalwereld met de nek aangekeken, maar ik vond het wel wat hebben: die man die zich volledig opofferde voor het ploegresultaat en deemoedig de schimpscheuten van het publiek en de pers incasseerde als een weliswaar niet prettig, maar onontkoombaar gevolg van zijn rol als vernietiger.

En natuurlijk, in een week waarin veelbezongen helden als Paolo Rossi (60) en Francesco Totti (40) ‘jubileumverjaardagen’ vieren en de speler van het mooiste juichen ooit, Marco Tardelli, 62 wordt, dreigt hij wat in in het niet te verdwijnen. Claudio Gentile, hij die zijn naam wel het minste eer aandeed van alle voetballers in de geschiedenis. Want aardig, nee: dat werd de mandekker-by-trade bepaald niet gevonden. Integendeel. Hij werd verfoeid, veracht, verketterd.

Vandaag wordt Claudio Gentile 63 jaar. De Mackie Messer van het internationale voetbal, wiens mes je niet zag maar die het, als het maar even nodig was, in het been van om het even welke tegenstander stak. Hij dreef op het WK 1982 Diego Maradona tot wanhoop. Maakte Zico het spelen zo goed als onmogelijk. Was Zbigniew Boniek in de halve finale niet geschorst geweest, had hij hetzelfde met de sterke Pool gedaan. En in de eindstrijd maakte hij Pierre Littbarski onzichtbaar. De voetbalwereld moest hem niet. Wat had je aan een speler die de mooiste voetballers het spelen belette? Daar zat toch niemand op te wachten?

De Messi’s en Ronaldo’s van deze tijd mogen zich gelukkig prijzen dat dit type mandekker uitgestorven is, ze zouden het niet eenvoudig hebben gehad. Claudio Gentile was een uiterst betrouwbare pijler onder alle successen van Juventus in de jaren zeventig en tachtig en een onmisbare schakel in de nationale ploeg. Misschien was het niet helemaal toevallig dat juist hij in de WK-finale van 1982 de uitzinnige Marco Tardelli na diens 2-0 en iconische juichren tot staan bracht. Geen ander had de op drift geraakte doelpuntenmaker te pakken kunnen krijgen. En ook niet vaak beschreven, maar wel waar: wie gaf de afgemeten voorzet bij het eerste doelpunt van Paolo Rossi in die wedstrijd?

Buon compleanno, Claudio!

 

Onuitwasbaar tastbaar

Door: Roberto Pennino

PenninoArgDe iconische beelden van de WK-finale 1978 hebben een onuitwisbare indruk gemaakt bij velen die het live hebben meegemaakt. Niet alleen de gelukkigen in het stadion, maar ook zij die via de televisie konden meegenieten, kunnen dat beamen. De tickertape, het verband van René van de Kerkhof en het protest ertegen van de Argentijnen, de snoeiharde overtredingen. De goal van Nanninga, de bal op de paal van Rensenbrink, de verlengingen. Het kon niet anders dan beklijven.

Maar soms heb je toch de herhaling van beelden nodig om het natuurlijke vervagingsproces van je herinneringen een halt toe te roepen. En als de laatste opfrissessie van het geheugen maar lang genoeg geleden is, kun je zowaar het idee krijgen dat je iets nieuws ontdekt op de overbekende beelden van weleer. Voor wie dit wil uitproberen: kijk eens naar een complete wedstrijd uit het verleden. Ik kan het aanbevelen. Zo heb ik de betreffende confrontatie Nederland-Argentinië inmiddels al een keer of wat integraal afgespeeld. Ondanks de voorkennis van de einduitslag heb ik dan een prachtavond. Daar kan menige film qua kijkgenot niet aan tippen. Een hoogwaardige combinatie van historisch drama en misdaad, overgoten met een niet te missen thrillersausje.

Recentelijk had ik een ontmoeting met de gebroeders Van de Kerkhof. Willy en René zouden op mijn verzoek iets meenemen waarvan ik vooraf tot mijn eigen verbazing kriebels in mijn buik had gekregen. Een met een Argentijnse wereldkampioen geruild shirt. Althans, als het goed was ‘hadden zij dat nog ergens thuis liggen’. Op internet vond ik een foto van René en Willy die in de chaos na het laatste fluitsignaal dekking hadden gezocht in een dug-out. Allebei met een Argentijns shirt aan. Maar de foto gaf niets weg over de voormalig eigenaars ervan. En dus bleef vooraf de vraag: met wie hadden ze destijds hun shirt geruild?

Het antwoord kwam al snel. René had niets meer kunnen vinden maar de omstandigheid dat Willy een tasje bij zich had, stemde me hoopvol. Daarna ging het snel. Toen het er eenmaal eruit gevist was, zag ik het meteen. Nummer 4. Ricardo Daniel Bertoni. De man die Nederland met zijn 3-1 het laatste restje hoop op de wereldtitel had ontnomen. Bij het zien van het rugnummer gingen mijn gedachten in een flits terug naar die 25ste juni in 1978. De reacties om mij heen na die 3-1. “Buitenspel!” werd er geroepen. “Overtreding!” Maar de treffer werd niet afgekeurd en dus ging ik niet veel later met een katterig gevoel naar bed.

Nu lag datzelfde stuk textiel dat Bertoni in die wedstrijd, bij die actie, had gedragen, voor me. Voor de grijp. Nog voordat ik het shirt aanraakte, zei Willy verontschuldigend. “Het enige jammere is dat hij gewassen is.” Maar dat maakte in mijn beleving niets uit. Gewassen of niet, de zweem van bloed, zweet en tranen lag in mijn ogen en neus nog steeds in dit shirt besloten. Welk merk wasmiddel had ook weer de slogan ‘Wast door en door schoon?’ Het ging hier niet op. Sommige dingen zijn onuitwasbaar.

Willy en René 65: nooit een sliding

Ze speelden tegen Eusebio. Ze wonnen. Ze gingen niet aan de kant voor Passarella. Cruijff had ze graag in zijn elftal. Ze kruisten de degens met Beckenbauer. Konden  op waardering rekenen van Pelé, die beide broers opnam in zijn lijst van 125 beste voetballers. René sprintte tegen Cabrini, Willy tegen Tardelli. Ze werden getraind door Michels en Rijvers. Deelden de kleedkamer met Jan van Beveren en Willy van der Kuijlen. Wonnen de UEFA Cup, en Willy zelfs de Europa Cup I. Willy en René van de Kerkhof waren spelers die op het allerhoogste wereldtoneel een hoofdrol speelden. En in al die wedstrijden, die vele honderden duels op het hoogste niveau, maakten René en Willy nooit een sliding.

Dat was misschien niet eens bewust, maar alles ging lopend bij de gebroeders. Hard lopend. Dat konden ze goed. René gooide de bal in de diepte, ging rennen en probeerde te scoren of voor te zetten. Combineren? Niet echt. René was een solist. Een goede, dat wel. Willy pakte ballen af. Veel ballen. Beter dan wie ook in de Nederlandse voetbalgeschiedenis. Leverde ze vervolgens in bij Van der Kuijlen en dan ging Willy vaak diep. Een onderbelichte kwaliteit, die loopacties naar voren van de verdedigende middenvelder. Welke defensieve middenvelder van vandaag scoort zes tot acht goals per jaar? Willy deed dat.

Waren ze altijd even populair? Nee, dat niet. Met name René moest het nog weleens ontgelden. Zeker toen hij in 1975 nogal onbehouwen intrapte op Gerrie Mühren, die op de grond lag met de bal onder zich. Ajax-coach Rolink verklaarde doodleuk dat Mühren ‘klinisch dood’ was geweest, maar de Ajacied zelf zei naderhand dat er weinig aan de hand was geweest en dat hij na de wedstrijd zonder problemen met de ploeg in de bus naar Amsterdam was gereden. Wat niet wegnam dat René wekenlang ‘Kerkhof moordenaar’ door de stadions hoorde schallen. En ach, ja: ze deden opzienbarende dingen. In een televisiereclame in een rood-wit gestreept shirt op een tafel slaan en hard roepen: ‘Ik wil Bolletje!’ Een carnavalsplaat opnemen met de verheffende titel ‘Da hedde of da kredde’ (maar kopen kunde ’t nie). Het nummer was geschreven door Bassie en Adriaan. Die combinatie, dat af en toe clowneske, misschien was dat niet helemaal toeval.

René was een individualist, maar je kon op hem rekenen. Altijd dreigend, want altijd snel, altijd doelgericht. Niemand speelde graag tegen René, die van links en rechts even gevaarlijk was. Willy werd een ploegspeler. Niemand deed tevergeefs een beroep op hem. Snel, doortastend, altijd jagend op de bal. Iedereen had het lastig tegen Willy. Beiden waren vaste keuze op het WK 1978. René speelde één helft tijdens het WK 1974 (in de finale, toen hij de kreupele Rensenbrink verving). Willy speelde daar geen seconde. Stel je eens voor, het middenveld van Oranje had dat toernooi ook kunnen bestaan uit Willy van de Kerkhof, Willy van der Kuijlen en Gerrie Mühren. Wat een weelde. Geen haar minder dan Jansen-Neeskens-Van Hanegem. Wat ik u brom!

Vandaag worden Willy en René van de Kerkhof 65 jaar. De kans dat zij ooit nog die sliding zullen maken, neemt met de dag af. En dat harde lopen is ook wel een beetje passé. Maar voetbalmannen zijn en blijven ze in elke vezel van hun lichaam. Het gevoel om als tweeling samen 65 te worden, kopen kunde ’t nie. Da hedde of da kredde.

Eersterangs secondant

Door: Roberto Pennino

Johan Neeskens is vandaag 65 jaar geworden. Time flies. Mijn duidelijkste herinnering aan hem dateert van bijna 35 jaar geleden. In 1981 keerde hij als verloren zoon terug in Oranje. Of beter gezegd: in het volledig witte tenue van het Nederlands elftal dat die avond coute que coute moest winnen van de Belgen om de hoop op WK-deelname levend te houden.

Weken voordien had het gegonsd van de geruchten. Hij was in de VS van het pad afgeraakt. Drank, drugs en iets met vrouwen. Bij Cosmos was hij inmiddels persona non grata geworden. Zijn trainer Weisweiler wilde niets meer met dit ongeleide projectiel te maken hebben. Maar bondscoach Kees Rijvers zag hem graag komen. Anderzijds: hij was wel al dertig jaar. Kon hij zijn energievretende spel nog opbrengen? Die vraag was meer dan gerechtvaardigd.

Na negentig opwindende minuten in de Rotterdamse Kuip luidde het antwoord volmondig bevestigend. Jazeker, hij kon het nog! Topfit ogend bikkelde hij als in zijn beste jaren. Die wedstrijd heeft eens te meer getoond waarom Cruijff hem bij Ajax, Barcelona en het Nederlands elftal zo graag in zijn nabijheid had. Vanwege zijn tomeloze energie waarin een gezonde dosis spelagressie lag besloten die tegenstanders imponeerde en toeschouwers op de banken bracht.

Johan 2 was zijn geuzennaam, maar van een tweede viool was geen sprake. Hij was als secondant volwaardig en complementair aan Johan 1. Niet voor niets is een ‘type Neeskens’ anno 2016 nog steeds een begrip, net als zijn kiezelharde penalty’s. Zonder cynisme zou ik eraan toe willen voegen: iedere Nederlandse voetballer moest zeker eenmaal per jaar een half uurtje naar acties van de Nees kijken. Het is niets minder dan een videohandboek voor slidings, tackles en andere ingrepen om de bal te ver- of heroveren. Actueler wordt het niet.

De oplossing

Hiddink was bondscoach. Maar die moest weg. Kon niet meer. Te oud. Te lui. Te warrig. Te succesloos. Blind schoof door. Er kwam een plekje op de bank vrij.

Van Basten kwam. Van Nistelrooij was er al. Toen ging Van Nistelrooij. Advocaat kwam. Toen ging Advocaat weer weg. Er kwam niemand. Er ging wel iemand. Althans, binnenkort. Van Basten. Naar de FIFA. Als die tenminste iets willen betalen. Gullit zou komen. Maar die kwam niet. Ondertussen moest ook de teammanager weg. Maar die mocht later toch blijven. Misschien. Er ging ook een directeur Betaald Voetbal. Wel echt weg. Maar toch ook niet. Want hij bleef iets als secretaris-generaal. En zijn rechterhand werd directeur. En dus bleef die oude directeur ergens toch ook wel een beetje de baas.

Er kwam ook een Technisch Directeur. Die zou eerst niet komen, want die had nauwelijks werk te doen in Zeist. Maar even later toch wel. En er kwam een plan. Met alinea’s met belangrijke woorden als cognitieve flexibiliteit, schakelen van perspectief, probleemoplossend vermogen, motorische responsen, selectief attentievermogen, verstorende ruis filteren, executieve functies. Als we dat allemaal maar goed begrepen, zouden we in 2026 weer heel goed zijn.

Nederland was nu nog niet heel goed. Het verloor van Griekenland. En speelde tegen Zweden: 1-1. Best ongelukkig. En het werd niet rustig. Iedereen wist wel hoe het moest. Van Gaal weer op de bok. Blind dan maar assistent. Of gewoon weg. Ten Cate. Aad de Mos vond ook iets: Aad de Mos en Willem van Hanegem. Jari Litmanen werd genoemd. Want het mocht best een buitenlander zijn. Toch nog maar eens Gullit proberen. Want dat was wel een mislukte trainer, maar toen ‘ie niet wilde opeens toch niet meer. En met Fred Rutten en Jan Wouters zou het wel een succes worden. Co Adriaanse. Nee, zei Co, ik niet. Ronald de Boer? Geen trainersdiploma. Lastig.

Nee, zei Co. Een clubtrainer die Oranje erbij doet, dat kan niet. Want je kunt je energie maar op één team richten. Het is namelijk zó’n enórm ontzéttend zwaar vak. Dat kun je bijna niet bedenken. En zo werden wat trainers aan de zijlijn geparkeerd. Ronald Koeman. Frank de Boer. Phillip Cocu. In Istanboel moest een kleine Italiaan met een kromme neus er wel een beetje om lachen. Giovanni Guidetti deed dit toch al jaren, een clubteam met een nationaal team combineren? En niet zonder succes. Energie genoeg.

Men bleef over elkaar heen buitelen. Eén assistent. Twee assistenten. Wél Blind. Níet Blind. Wim Kieft had ook iets bedacht: het ‘clubje van 1988′ was – op Ronald Koeman en Frank Rijkaard na – in al zijn functies compleet mislukt. Zei Wim Kieft. Prominent onderdeel van datzelfde clubje van 1988. Ondertussen was er nog steeds geen assistent. En 7 oktober – Wit-Rusland – kwam al griezelig dichtbij.

Maar gelukkig. Nu is er een oplossing. De enige die werkelijk nog door niemand was genoemd. Denny Landzaat.

Ajax kent zijn eigen geschiedenis niet

De vraag is of de smadelijke 4-1 nederlaag van Ajax tegen FK Rostov voldoende is om de club te laten inzien wat er echt mis is. De huidige staat van Ajax ligt niet aan Peter Bosz. Ajax heeft eigenlijk maar één echt probleem: Ajax denkt dat alleen wat uit de boezem van Ajax komt, deugt. Peter Bosz is aan een mission impossible begonnen. Hij mag overeind zien te blijven in een krachtenveld van personen die helemaal geen zin in zijn visie hebben. Het kost de spelers te veel moeite. En het Umfeld van supporters en praatjesmakers rondom de club zag Bosz sowieso al niet zitten. Hij heeft immers bij Feyenoord gewerkt.

Kom als buitenstaander bij Ajax niet aan met een mening, want je wordt linea recta naar de uitgang gekonkeld. Peter Bosz werd al uitgekotst toen alleen de P van zijn naam nog maar was uitgesproken. Rondom Ajax beweegt zich een eng legertje van oudgedienden en min of meer invloedrijke figuren, die een inbreng van een niet-Ajacied categorisch kapotmaken. Een soort eigen-volk-eerst mentaliteit die we overal verafschuwen, maar die bij Ajax heel normaal is. Wie je ook voor die groep zet – vergeet het maar. Want die nieuwe trainer vraagt wellicht om toewijding, fysieke hardheid, mentale weerbaarheid. Komt misschien met een andere speelwijze. Daar kan men bij Ajax niet mee omgaan.

De jeugdopleiding wordt verheerlijkt, maar er ontbreekt van alles aan waardoor gemankeerde spelers opgeleverd worden. Ze hadden altijd de bal tegen een zwakkere tegenstander, hebben nooit hoeven te verdedigen, hebben nooit fysiek de grens op hoeven te zoeken, zijn mentaal nooit getest. Konden altijd vrolijk hun gezellige 4-3-3 spelletje spelen, hoefden zich nooit aan te passen. Precies die eigenschappen die het eerste elftal op internationaal niveau doorlopend tekortkomt. Ondertussen denkt men in Amsterdam dat de jeugdopleiding topvoetballers oplevert. Ajax denkt gewoon doodleuk dat je met kinderen van mannen kunt winnen. Je vraagt je soms af of Ajax zijn eigen geschiedenis wel kent. Die geschiedenis is niet alleen de klasse van Cruijff en Keizer. Die geschiedenis is ook de hardheid van Suurbier en Neeskens, de opofferingsgezindheid van Hulshoff en Mühren, de degelijkheid van Krol en Haan. Toevallig – nee, niet toevallig natuurlijk – vrijwel allemaal spelers die pas rond hun achttiende naar Ajax kwamen.

Toen kon dat nog. Ajax voelde zich klein, een leerling, had nog niets gepresteerd. De cultuur is inmiddels zodanig dat Ajax in de valkuil van zijn eigen vermeende grootsheid is gekieperd. De jeugdopleiding voldoet niet, echte versterkingen koopt de club niet, andere meningen worden niet geaccepteerd. Vrijwel geen enkele aankoop voldoet echt, en dat komt heus niet door het hoge niveau in Amsterdam. Met Traoré lijkt het al dezelfde kant op te gaan. Koop gerust Hakim Ziyech. Ik zie de volgende deceptie al op de loer liggen. Alles ‘van buiten’ verzuipt in de poel van zelfgenoegzaamheid die de club is.

De poule die Ajax gaat treffen voor de Europa League moet als vanouds weer ‘goed te doen’ zijn en men moet ‘hier gewoon doorheen’ komen. Ajax leert nooit. Als Ajax niet verandert qua houding, zal het niet verbeteren. En ze gáán niet veranderen, want ze weten het zelf wel beter. Hoezo veranderen als je de beste bent?

Half 3 uitverkocht
De 18 nummers van Half 3 zijn inmiddels niet meer verkrijgbaar.