Plaatjes laden...
Columns

Ruud Doevendans

Het engeltje van Panucci

Door: Roberto Pennino

Wie de naam Christian Panucci hoort, zal waarschijnlijk het beeld voor zich zien van een uiterst geslaagde voetballer. Hij heeft immers veel prijzen gepakt in zijn carrière. Zowel in Italië (Milan en Roma) als in Spanje (Real Madrid) is zijn gewonnen (inter)nationale zilverwerk indrukwekkend te noemen. Een mooie voetballer bovendien, gezegend met een karakteristieke kop en steevast een elegante lok aan het voorhoofd geplakt. Zelfverzekerd en succesvol. Een jongen, geboren voor het voetbalgeluk. Tijdens de zomer van 1996 had het echter heel anders kunnen aflopen voor Christian d’Or. Het verhaal van wat er toen gebeurde in het leven van de elegante verdediger, leest als een sliding doors verhaal in twee bedrijven. Het wat-als script dat anno 2017 nog steeds voor een flinke laag kippenvel zorgt.

Wanneer Panucci in het voorjaar van 1996 in het shirt van Milan de scudetto wint met acht punten voorsprong op Juventus, staat hem een druk after season-programma te wachten. Gezien zijn prestaties en het feit dat hij twee jaar eerder onder bondscoach Arrigo Sacchi zijn debuut heeft gemaakt voor de Azzurri, ligt het in de lijn der verwachtingen dat Panucci wordt opgenomen in de selectie voor het EK dat in Engeland zal worden gespeeld. Maar Sacchi zit met onder meer Paolo Maldini, Alessandro Costacurta en diens naamgenoot Nesta ruim in de topverdedigers. Het bericht dat hij buiten de boot valt bij de vicewereldkampioen komt hard aan, maar tijd om te treuren is er niet. Panucci is immers wel opgeroepen voor de Azzurrini, het Italiaanse elftal onder 21 jaar, waarmee hij in 1994 al eens Europees kampioen werd. Samen met onder meer Gianluigi Buffon, Fabio Cannavaro en Francesco Totti mag de dan 23-jarige Panucci op herhaling. Het wordt een succes, de titel wordt op karakter geprolongeerd doordat Spanje (met in de gelederen Raul) in de finale na penalty’s wordt verslagen. Het mag dan niet het grotemannentoernooi zijn, succes smaakt altijd zoet, zeker in de wetenschap dat het seizoen nog altijd niet ten einde is.

Nadat het Italiaanse elftal zonder hem al in de eerste ronde van het EK roemloos is uitgeschakeld, kan Panucci zich opmaken voor een nieuwe uitdaging. Hij wordt tot aanvoerder gepromoveerd van het Italiaanse Olympisch team dat tijdens de Zomerspelen in het Amerikaanse Atlanta gaat voor goud. Er is echter één probleem: Panucci raakt in de voorbereiding op dat toernooi geblesseerd aan de knie, probeert nog aan te haken bij de groep, maar uiteindelijk eist het overvolle speelprogramma zijn tol. De knieproblemen beletten hem in actie te komen en gedesillusioneerd vertrekt hij onverrichterzake terug naar Italië. De jongeman die tot dat moment weinig tot geen echte tegenslag heeft gekend (behalve dan het missen van het EK in Engeland), heeft zijn Olympische droom wreed uiteen zien spatten.

Wanneer hij op 17 juli bij de luchthaven Newark arriveert, verneemt hij dat zijn bagage niet is meegekomen voor zijn geplande vervolgvlucht via Parijs naar Rome. Dat kan er ook nog wel bij. Maar dan keert het tij: een Alitalia-medewerker informeert hem dat hij zijn geplande vlucht kan omzetten in een directe vlucht naar Milaan. Dat scheelt een overstap en dus ook tijd. Op de valreep toch nog een meevallertje na het zo jammerlijk mislukte Olympische avontuur. Tijdens de vlucht probeert hij zijn blessurepech weg te redeneren, maar dat lukt hem slechts ten dele. De nasmaak blijft overwegend bitter. Eenmaal aangekomen in Milaan verneemt hij het tragische nieuws dat de Jumbo TWA-800, zijn oorspronkelijke vlucht, is gecrasht en dat daarbij alle 230 passagiers het leven hebben gelaten. De golden boy van het Italiaanse voetbal blijkt ook in het echte leven een engeltje op zijn schouder te hebben gehad. Als hij wel zou zijn geselecteerd door Sacchi had hij geen enkele connectie gehad met de rampvlucht. En ingeval de Alitalia-medewerker hem niet had ingelicht, zou hij dood zijn geweest. Zo kan het gaan in het leven.

Panucci’s rijke carrière eindigt op bijna 37-jarige leeftijd bij Parma en kent eigenlijk maar één echte sportieve teleurstelling: het missen van het WK 2006. Italië wordt in Duitsland wereldkampioen zonder hem omdat bondscoach Marcello Lippi, met wie hij in 1999 bij Internazionale veelvuldig in de clinch heeft gelegen, Panucci zonder uitleg buiten de selectie houdt. Zijn grootste geluk dateert van tien jaar eerder: de mazzel om te mogen blijven leven. Een lotsbeschikking die welbeschouwd meer waard is dan het goud van honderd wereldbokalen bij elkaar.

Einde van een droom

Door: Roberto Pennino

 

Alles klopte aan het beeld: het shirt zonder reclame, de tranenglans in de ogen en het even – kort – wijzen op het clubembleem.

Iets wat tegenwoordig iedere huursoldaat al vanaf het eerste moment bij zijn zoveelste werkgever opzichtig laat zien, deed Totti terloops. Alleen uit gevoel, niet voor de buitenwacht. Want hij wist wat zou volgen. Die Vermaledijde Laatste Keer. De woorden die hij ging richten tot zijn geliefde en liefdevolle publiek. Kon hij ze wel uitbrengen met een dikke tong van emotie? Die verdomde tijd, die almaar vooruit was gegaan en hem nu tot iets dwong wat hij niet wilde. Afscheid nemen.

Met een microfoon in de ene hand ijsbeerde Totti rond, te midden van zijn medespelers, zijn vrouw en zijn kinderen. En een brief voor zijn supporters in de andere hand. Sprekend in hun taal: het Romeins van de straat. Natuurlijk was dit moment in een bomvol Stadio Olimpico geregisseerd. Maar het script was zo natuurlijk opgesteld dat er niet werd geacteerd. Francesco Totti sprak voor en als zichzelf. Hij moest nu iets doen waarvoor hij niet klaar was en naar eigen zeggen waarschijnlijk ook nooit klaar zou zijn: voor de laatste maal zijn Roma-shirt uittrekken en afstand nemen van het gras dat hij al die jaren van zó dichtbij zó ontzettend lief had gehad. Om hem heen geen hysterie of overdreven volkstheater, maar collectieve tranen. Mannen, vrouwen en kinderen in emotie één met hun held. Totti was, is en zal altijd een van hen blijven. En via Totti hadden al die fans van de Curva Sud hun dromen kunnen waarmaken. Wanneer Totti een goal maakte, scoorden zij zelf. En wanneer hij door een dal ging, gold dat ook voor hen. Dat hij als jonge jongen de stap had kunnen maken van de tribunes naar het veld was het begin van een droom geweest. Een droom die 28 jaar had voortgeduurd.

Todat op 28 mei 2017 wreed een oorverdovende wekker ging. Hij wilde niet wakker worden maar het moest. En nu was hij, de grote Totti, eeuwige nummer 10, dé capitano, simpelweg bang voor wat er na het afscheid ging komen. Dat zei hij ook met zoveel woorden. Indachtig zijn uitingen van clubtrouw en liefde voor de bal, het spel en de fans, zal Totti voor altijd symbool staan voor een voetbalbeleving die jaren geleden al van de aardbodem leek te zijn verdwenen.

Uit de kast

Door: Roberto Pennino

 

Het is in de voetbalwereld een groot goed: je hele leven bloedfanatiek supporter zijn van een en dezelfde club. Want zo’n door dik en dun geeft trouw en doorzettingsvermogen aan. Een houvast ook. En hoeveel zoeter smaakt succes niet na een aantal magere jaren? Vooropgesteld: ik heb daar respect voor. Tegen heug en meug je cluppie blijven steunen, ook al is het spel niet om aan te zien. Ga er maar aan staan. Alleen, en dit is voor mij het moment om uit de kast te komen: ik heb dat gewoon niet. Ik heb er jaren mee geworsteld, maar het moet een keer gezegd: ik ben als voetballiefhebber promiscue.

Opgegroeid in de Oostelijke Mijnstreek was ik als Heerlens jongetje natuurlijk voor Roda JC. Mijn helden waren Dick Nanninga en later John Eriksen. Maar ook toen al was ik niet eenkennig. Ajax met Ruud Krol als aanvoerder vond ik fascinerend. En toen Cruijff terugkwam in 1981 was dat een droom die uitkwam. In stadion Kaalheide zag en hoorde ik een keer volwassen mannen bij een ingooi verbaal tekeer gaan tegen de legendarische Nummer 14. Wat er allemaal geschreeuwd werd, weet ik niet meer. Maar ik begreep er geen jota van: dit was toch de beste Nederlandse voetballer aller tijden? Dan maakte het toch niet uit of hij wel of niet een Roda-shirt aan had? In de jaren tachtig werd mijn blikveld verder verruimd en werd ik net zo gegrepen door het Juventus van Platini als later door het grote Milan onder Sacchi. Terwijl ik tussendoor aan de buis gekluisterd zat wanneer het jonge Ajax onder Cruijff en het Real Madrid van Butragueno op televisie kwamen. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Het punt dat ik wil maken is dat ik, terugkijkend, altijd ben gegaan voor het aansprekende voetbal. Ik realiseer me dat er mensen zijn die neerbuigend zullen zeggen: ‘Jij bent een zondagskijker’. Maar wat is daar mis mee? Je hoeft toch geen supporter te zijn om van mooi en/of goed voetbal te houden? Ik kon de afgelopen jaren net zo genieten van Atletico Madrid als van Barcelona. Dit seizoen kijk ik likkebaardend naar Juventus en heb ik bovendien Ajax herontdekt. Vooral dat laatste kwam nogal onverwacht. Want het kleurloze spel de laatste jaren onder Frank de Boer kon ik niet aanzien. En bovendien viel er Europees geen enkele strijdvaardigheid te bespeuren. De vier behaalde landstitels zeiden me dan ook weinig. Maar nu staat er weer een jonge ploeg met technisch vernuft en strijdlust, een genot om naar te kijken. En dus heb ik, net als de ‘echte’ fans, genoten van de wedstrijden tegen Schalke en Lyon.

In de komende weken staan Juve en Ajax op de drempel van nieuwe successen en hoop ik vurig dat ze het in hun finales gaan redden. Maar eigenlijk is het herwonnen voetbalelan van de Amsterdammers het allerbelangrijkste, voor heel Nederland. Mijn clubtrouweloosheid zal menigeen tegen de borst stuiten, het zij zo. Ik schaam me er niet meer voor. Leven en laten leven. En daarom hoop ik dat Feyenoord komende zondag de landstitel alsnog pakt. Niet omdat ik tegen Ajax ben of iets met Feyenoord heb, maar omdat ik het de Rotterdamse supporters zo gun. Ik kan me er niks bij voorstellen maar het moet een enorme verlossing zijn om na 1999 eindelijk weer eens te kunnen zeggen: ‘Wij zijn kampioen van Nederland’. Dat is het enige nadeel van mijn bestaan als zondagskijker: de vreugde komt niet uit mijn tenen wanneer het team van mijn voorkeur een prijs pakt.

De Nationale Pispaal

Hans van Breukelen heeft bij mijn weten nooit iemand vermoord, verkracht, gemolesteerd of anderszins fysiek geweld aangedaan. Verder heeft hij ooit, in 1988 toen dat in Nederland zo ongeveer volksvermaak nummer één was, een Duitser uitgescholden. Maar verder kun je veel van hem zeggen, verbaal gedraagt de huidige Technisch Directeur van de KNVB zich altijd uiterst correct.

Van Breukelen speelde 73 maal voor het Nederlands elftal, zorgde er met fabuleus keeperswerk in de halve finale tegen Real Madrid en een gestopte beslissende strafschop in de finale tegen Benfica in 1988 hoogstpersoonlijk voor dat PSV het grootste succes in zijn bestaan kon bijschrijven, het winnen van de Europa Cup I. Een maand later was hij een van de pijlers in de Europese titel van Oranje. Hans van Breukelen stond vijftien jaar voor degelijk vakmanschap onder de lat. Voldoende voor levenslange waardering, zou je denken. Helaas.

Ondanks dit alles is hij verworden tot De Nationale Pispaal.

Ik heb Hans van Breukelen een keer of tien uitgebreid gesproken, sessies van één tot twee uur elk. En ik kan u verzekeren, een uiterst vriendelijke, benaderbare en betrouwbare persoon. Zeker, ook iemand die zijn stokpaardjes heeft en telkens weer daarover begint. Ja, hij praat veel over mentale kwesties. Komt door zijn eigen verleden, waarin hij een paar keer een geestelijke dip heeft moeten overwinnen. En ook waar: zet je hem onder druk, is hij niet altijd even handig om dat te pareren. Dan lacht hij de suggesties van de tegenpartij nog weleens wat ongemakkelijk weg, het is niet zijn beste kwaliteit.

Is Hans van Breukelen de ideale Technisch Directeur? Kijk je naar zijn palmares, zou je zeggen: bepaald niet. Maar heeft dit land, dit irritant-eigenwijze zelfingenomen voetballand met zijn miljoenen niet-onderbouwde en op onderbuikgevoelens gebaseerde meninkjes, hem ooit een seconde de kans gegeven zijn beleid uit te zetten? Nee, de V van zijn achternaam was nog niet uitgesproken of al die bondscoaches-bij-zelfproclamatie deden wat ze het liefst doen: een ander kapotmaken. En dat ook nog eens binnen een bond met talloze betweters die qua voetbalervaring en -kennis op topniveau nog niet de slip van Van Breukelens jas mogen dragen. Prettige wedstrijd, Technisch Directeur!

Een ‘mooi’ voorbeeld. Van Breukelen noemt in de zoektocht naar een bondscoach geen enkele naam, zegt slechts: ‘Ik moet de beste bondscoach vinden en probeer dat vóór 1 mei af te ronden.’ Duidelijk, lijkt me. Vervolgens komt de pers met een zekerheid: het wordt Henk ten Cate. Jack van Gelder, toch aardig ingevoerd vaak, durfde er zelfs een percentage aan te verbinden: 99. Vervolgens komt de pers met een andere kandidaat: Dick Advocaat. Waarop Ten Cate, zoals bekend mag zijn niet bepaald vies van een manipulatie, de stekker eruit trekt met de woorden: ‘Mij was beloofd dat ik bondscoach zou worden.’ Zonder slag of stoot neemt een gezaghebbende partij als Voetbal International dit maar even aan, en legt de bal bij Van Breukelen: zijn positie is onhoudbaar, volgens het blad. Hoe bizar wil je het hebben?

Als Van Breukelen Henk ten Cate had aangesteld, had hij gefaald: immers, een trainer die al tien jaar niet op topniveau werkt. Stelt hij Advocaat aan, faalt hij: want die is voor een paar euro’s straks weer weg. Was het Klinsmann geworden, wat heel slim zou zijn geweest overigens, dat had hij nooit een Duitser mogen aanstellen. Viel de keuze op Ron Jans, dan … enfin vult u maar in. En dan te bedenken dat de Koemannetjes, Van Gaaltjes, Schmidtjes, Sampaoli’tjes en De Boertjes van deze wereld allang zelf bedankt hebben. Eigenlijk had Hans van Breukelen natuurlijk maar één bondscoach mogen benoemen: Johan Cruijff. Maar ja, die is overleden. Trouwens ook de schuld van Van Breukelen. Let maar op, het duurt niet lang meer of hij krijgt ook dat nog op zijn bord.

Het gaat maar om één ding, Van Breukelen moet hangen. Vanaf dag één strijdt hij een kansloze strijd, en misschien is dat hetgeen je hem écht zou kunnen verwijten: dat hij dát niet wil inzien. Feitelijk zou je tegen hem willen zeggen: man, je hebt dit niet nodig. Houd toch de eer aan jezelf. Je hebt ze financieel wel op het droge (ga ik toch van uit), je had een grote carrière en hebt ook daarna succesvolle dingen gedaan. Ga iets leuks doen, motivatiespeeches geven bijvoorbeeld. Dat doe je echt heel aardig. Dit land verdient jou helemaal niet.

Een merkwaardig geschenk

Hij zou vandaag zeventig zijn geworden. Zou Johan Cruijff nu echt blij zijn geweest met het cadeau dat hem ten deel valt? Want de kogel is door de kerk. De Amsterdam Arena heet voortaan de Johan Cruijff Arena.  Leuk, zo op het eerste gezicht. Maar wat zou hij ervan gevonden hebben?

We hebben natuurlijk al iets wat naar Cruijff vernoemd is: de Johan Cruijff Schaal. Toch ook een prachtig gebaar. Maar zelf was Cruijff daar maar zelden bij. Ik zou denken, de Johan Cruijff Schaal kan eigenlijk maar door één man uitgereikt worden: de naamgever zelf, mits in leven uiteraard. En anders bijvoorbeeld zijn zoon. Maar Cruijff zag dat toch anders. Hij hoefde niet zo nodig. Geen zin, geen tijd, wat het ook was.

Cruijff en de  Arena, eigenlijk hadden die nauwelijks iets met elkaar. Cruijff speelde er welgeteld één wedstrijd, in 1999 de zogenaamde Wedstrijd van de Eeuw tussen oude sterren. Hij brak toen zijn arm. Als coach trad hij er zelfs nooit op. Toen de Arena geboren werd, was de actieve voetbalman Cruijff net een paar maanden met pensioen. En heel vaak was hij er daarna niet te vinden. Ja, hooguit als er wat gesteggeld moest worden over de koers die Ajax diende te varen. Laten we eerlijk zijn: er zijn in de Arena wat slachtoffers te betreuren geweest na interventies van Cruijff.

De Johan Cruijff Arena, ik moet er nog aan wennen. Het kan nog veel erger worden, als zich straks een naamsponsor meldt die vijf miljoen per jaar neertelt om zijn naam aan het stadion te verbinden. Wat doe je dan? Wordt het dan de WC Eend Johan Cruijff Arena? De Kentucky Fried Chicken Johan Cruijff Arena? Ik mag toch hopen dat men er tijdig een stokje voor steekt.

Maar mooi dat Cruijff nu in één adem genoemd kan worden met Rat Verlegh, Abe Lenstra en Jan Louwers, clubiconen die in Nederland eerder hun naam aan een stadion verbonden zagen worden. Even dacht ik nog dat ook FC Dordrecht zijn stadion naar een oud-speler had vernoemd, maar Riwal Hoogwerkers bleek toch een sponsor te zijn. Hoe dan ook, het blijft een vreemde gedachte dat een stadion je naam gaat dragen waar je zelf nooit speelde of als trainer optrad, waar je elk jaar weer ontbrak als de naar jou genoemde prijs werd uitgereikt en waar je verder alleen kwam als er (laten we het vriendelijk formuleren) gediscussieerd moest worden. Eigenlijk hebben De Toppers meer met de Arena dan Cruijff ooit heeft gehad.

Maar ja, de Gerard Joling Arena …

Johan 70: glanzend farewell

Door: Roberto Pennino

Morgen is het precies 70 jaar geleden dat Johan Cruijff werd geboren. In mijn vroegste jeugd waarde zijn naam als ongrijpbaar stof door mijn hoofd. En dat terwijl ik hem nooit had zien spelen. Niet lang na de desastreuze 0-8 tegen Bayern München (de enige keer dat ik hem live op tv had gezien) lag bij het plaatselijke postkantoor een Franstalig magazine in de schappen. Het moet de Onze of de Mondial geweest zijn. Ik kon er in ieder geval geen letter van lezen behalve natuurlijk dat ene woord: ‘Cruyff’. De magische aantrekkingskracht van de naam die ik zo vaak had gehoord in de bewonderende bewoordingen van de volwassenen die het geluk hadden gekend hem wel te zien voetballen. En soms ook in de afkeurende sfeer wanneer het woord ‘geldwolf’ viel. De pagina’s in het magazine toonden Cruijff in vele shirts. Dat van het grote Ajax en Oranje kon ik wel thuisbrengen, maar er waren ook andere bij die geen enkel belletje deden rinkelen. Eén foto is me altijd bijgebleven: Cruijff zwaaiend naar onzichtbare tribunes met op zijn shirt een beknopt overzicht van zijn grote internationale successen met Ajax: drie Europa Cups en de wereldbeker, hoewel ik die laatste toen nog niet herkende. Wat mij het meest fascineerde was zijn naam in witte letters op de rode baan. Hoe gaaf was dat: spelen met je eigen naam op de borst. De uitslag van die wedstrijd kende ik wel maar deed er niet toe. Dit prachtige beeld stond op zichzelf.

Vele jaren later had ik een interview met oud-Ajacied Wim Meutstege. Het ging geen moment over Cruijff totdat hij achteloos een doos met shirts tevoorschijn toverde. Toen ik het zag kreeg ik kippenvel: Wim had die afscheidswedstrijd meegespeeld en voor mijn neus lag ineens het tastbare bewijs daarvan. Een authentiek, glanzend exemplaar van wat mij als kind zo had geïmponeerd. Meutstege zag mijn blik en zei genereus: ‘Je mag hem wel even aantrekken, hoor.’ Dat liet ik me geen tweemaal zeggen. Waar ik alleen niet op had gerekend was de maat. Of de doorslaggevende factor mijn bierbuikje uit die tijd was of dat het shirt een keer te heet was gewassen, laat ik in het midden. Maar het kwam erop neer dat het me veel te strak zat. Ademen ging moeizaam, maar ja, je moet er wel wat voor over hebben om te worden vereeuwigd in zo’n relikwie. Het beeldbewijs was allerminst flatterend maar dat deerde me geen moment. Ik had het originele farewell-shirt mogen aantrekken.

Later mocht ik op verschillende momenten met Cruijff op de foto. Maar het shirt-moment staat zeker net zo hoog op de lijst van persoonlijke Cruijff herinneringen. Op zijn geboorte- en sterfdatum vechten de herinneringen van vele duizenden voetballiefhebbers aan hem om voorrang. Cruijff was nu eenmaal zo iemand over wie de anekdotes nooit uitgeput zullen raken. Definitiever dan het vaarwel van vorig jaar wordt het niet maar het farewell van 1978 staat in mijn beleving voor altijd symbool voor de grootsheid van Cruijff als voetballer.

Pennino Cruijff shirt 2    Pennino Cruijff shirt

 

Salonfähig

Tientallen jaren werd het Duitse voetbal erom verguisd: het naargeestige Kampfgeist und Laufpensum voetbal. Kil en klinisch knokten en renden Duitse teams, of het nu een club of de nationale ploeg was, zich van prijs naar prijs. ‘Rechts’ voetbal heette het, zakelijk en hardvochtig. Totdat men vond dat het anders moest. Duitsland ruilde de beproefde en – wat je er ook van vond – succesvolle stijl in voor mooi, technisch en zeer attractief spel. De praktijktrainers werden langzaam maar zeker aan de kant gezet voor jonge oefenmeesters, laptoptrainers, die dan weliswaar nauwelijks tegen een bal hadden getrapt, maar er wel op hadden gestudeerd. Sinds die tijd geldt het Duitse voetbal als de maat aller dingen. En dat is niet terecht.

Sinds het Duitse voetbal zijn aanpak drastisch gewijzigd heeft (dat nam een aanvang tussen de EK’s van 2000 en 2004) is het vele malen minder succesvol dan voorheen. Ik zal u dat laten zien. Simpelweg de feiten.

Tussen 1966 en 2004 behaalde (West-)Duitsland de volgende successen:

WK’s: 2x winnaar, 4 verloren finales

EK’s: 3x winnaar, 2 verloren finals

Europa Cup I / Champions League: 6x winnaar, 6 verloren finales

UEFA Cup / Europa League: 6x winnaar, 7 verloren finales

Opgeteld 36 finaleplaatsen, waarvan 17 als winnaar

 

In de periode 2004-2016 noteren we voor Duitsland:

WK’s: 1x winnaar, 0 verloren finales

EK’s: 0x winnaar, 1 verloren finale

Champions League: 1x winnaar, 3 verloren finales

Europa League: 0x winnaar, 1 verloren finale

Bij elkaar 7 finaleplaatsen, waarvan 2 als winnaar

 

U merkt terecht op, 38 jaar met 12 jaar vergelijken is niet eerlijk: daarom vermenigvuldigen we de resultaten van 2004-2016 met (38/12 =) 3,17. Het aantal finaleplaatsen wordt dan 36 om 22, het aantal overwinningen zeventien om zes. Tel een finaleplaats eens voor 1, een overwinning voor 2. Conclusie: Duitsland was tweemaal zo succesvol toen het nog loopvermogen en vechtlust vooropstelde.

Er zijn  landelijke opleidingscentra gekomen, de stijl is gemoderniseerd, ze incasseren bakken vol lof. De stadions zitten vol, iedereen vermaakt zich opperbest. Maar de Duitsers winnen niet meer. Alle Nagelsmannetjes, Tucheltjes en Kloppjes bij elkaar: het ziet er fris en fleurig uit, maar na afloop staat een ander met de beker in de handen. Duitsland is salonfähig geworden, maar speelt niet meer om de prijzen. Het is niet zozeer de verandering van stijl, maar juist het gebrek aan succes dat de échte stijlbreuk in het Duitse voetbal is gebleken.

Een avondje Corruption League

We zijn er gisteravond weer eens getuige van geweest, een nieuw hoofdstuk in de Corruption League. Voor de zoveelste maal profiteert Real Madrid van vooropgezette arbitrale dwalingen. Ook vorig jaar won het de belangrijkste Europese beker al na een overduidelijk buitenspeldoelpunt. De voorbeelden zijn legio, ook met andere Europese topclubs en –landen in de bevoordeelde hoofdrollen. Je kunt het ontkennen, maar je kunt ook ontkennen dat één plus één twee is.

Het vertrouwen dat door-en-door malafide organisaties als de internationale voetbalbonden UEFA en FIFA ook maar de behoefte hebben om het allemaal eerlijk te laten verlopen, ben ik al lang kwijt. Het gebeurt, en we staan erbij en kijken ernaar. En niemand die nu eens hard en duidelijk ingrijpt. Om die slappe, kruiperige, onderdanige houding van de 48 kleinere landen, daar gaat het me om.

De enige oplossing voor die tientallen landen die totaal kansloos in de marge van dit maffiaspektakel figureren, is: stap eruit. Massaal. Doe gewoon niet meer mee. Het is simpel, je schrijft niet in. Als je niet inschrijft, speel je niet mee. Natuurlijk, het is even een stap. Maar gegarandeerd dat je bijval krijgt. Eigenlijk moeten gewoon tien landen zeggen: toedeledokie Corruption League, de mazzel! Wij organiseren wel ons eigen toernooi. Waar geld een ondergeschikte rol speelt en waarin iedereen onder dezelfde voorwaarden participeert.

Maar nee, die moed heeft niemand. Logisch, zeggen sommigen. Ook een Nederlandse club verdient flink aan de Champions League. Klopt. Maar wat heb je aan twintig miljoen als andere clubs voor dezelfde prestaties honderd miljoen krijgen? Wie houd je dan voor de gek? Stel uzelf eens de vraag wat het PSV heeft opgeleverd, twee jaar Champions League spelen. Enige tientallen miljoenen ongetwijfeld. Maar heeft PSV nu ook een positie om de komende jaren een goede rol te spelen in de Corruption League? Nee. Sterker nog, de miljoenen zijn niet eens voldoende gebleken om dit seizoen Feyenoord en Ajax voor te blijven in de vaderlandse competitie.

Het is allemaal poppenkast. We stinken er met open ogen telkens weer in, en dat komt omdat we slaafse meelopers zijn. We willen erbij horen, hebben niet de ballen om nu eens te zeggen: we gaan het met een groepje totaal anders doen. En zo hobbelen we jaar-in-jaar-uit van de ene ergernis in de andere. En roepen we ‘foei!’ tegen ene meneer Kassai uit Hongarije, zoals we enkele weken geleden ‘nou, nou!’ zeiden naar aanleiding van de malversaties van meneer Aytekin uit Duitsland. En daarna? We namen een glas, deden een plas en de rest kunt u wel invullen. Op naar de volgende scheidsrechter die het allemaal wel even fikst.

Mijn oude moeder zei het al 35 jaar geleden: dat voetbal van jou gaat nog eens helemaal kapot aan al dat geld. Ze heeft toch gelijk gekregen.

Stilte na de ster

Door: Roberto Pennino

 

Vandaag is het precies een jaar geleden dat Johan Cruijff overleed. Ofschoon (een typisch Cruijff-woord) de aarde al weer zo’n 365 keer om zijn eigen as heeft gedraaid zonder hem, blijft hij in zekere zin de zon in planetarium voetbal. Dat aan hem gedacht wordt is net zo vanzelfsprekend als de werking van de zwaartekracht. Niet dat daarmee ook geconstateerd moet worden dat de voetbalwereld is geïmplodeerd op – en vooral na – 24 maart 2016, maar anders is het wel. Op momenten fletser. Meer eendimensionaal ook. Geen taalverrijkingen uit zijn koker meer. Geen verbale schijnbewegingen. Alleen maar stilte van zware aard.

Na de 4-0 nederlaag van zijn geliefde Barcelona tegen Paris Saint-Germain moest ook ik natuurlijk aan hem denken. Hoe zou Johan deze zeldzame afstraffing hebben beoordeeld? Eerlijk gezegd wist ik het niet zo goed. Enerzijds had een kritisch fileren van het zwakke Barca-spel voor de hand gelegen, gelardeerd met tactisch scherpe observaties, maar de geschiedenis heeft anderzijds juist bij herhaling zijn tegendraadse zienswijzen laten zien. Het verlies in de WK-finale van 1974 tegen West-Duitsland, dat voor zoveel Nederlanders een traumatisch karakter kreeg, heeft hij nadien altijd als een zege voor het getoonde Totaalvoetbal bestempeld. Na de pijnlijke 8-2 nederlaag die hij als nieuwbakken Feyenoorder in september 1983 moest slikken tegen zijn oude liefde Ajax, stelde hij laconiek vast dat er slechts twee punten waren verloren, niets meer en niets minder.

Als trainer kon hij net zo ongrijpbaar en verrassend zijn commentaar geven. Zo was in februari 1994 een gevoelige 6-3 nederlaag van zijn Dreamteam uit tegen laagvlieger Zaragoza voor Cruijff geen aanleiding voor paniek. Integendeel, want tot verbijstering van iedereen die meeluisterde verkondigde Johan Primero doodleuk dat die uitslag de ploeg alleen maar zou helpen om de landstitel wederom te winnen. En hij kreeg gelijk!

Na het 4-0 debacle in het Parc des Princes was er geen andere optie voor de Catalanen dan het onmogelijke te proberen. Een remontada van het spectaculairste soort. En juist daarop zou Cruijff in de aanloop naar de return in Camp Nou zo prachtig ingesprongen zijn. Misschien had hij zijn oude wijsheid dat je een doelpunt meer moest scoren dan je tegenstander wel verbasterd naar ‘als je er maar vijf meer scoort dan de Fransen, ben je door.’ Of puur Cruijffiaans opmerken: ‘Een wedstrijd telt zes kwartier, als je in ieder ervan een doelpunt maakt, is dat waarschijnlijk genoeg.’

We zullen het nooit weten. Anders dan de sterren aan de hemel, die al dood zijn wanneer we het licht ervan zien, hebben we het voorrecht gehad Cruijff als levende ster mee te maken. En juist dat gegeven maakt het gemis zo ontzettend voelbaar.

De eerste de beste

Gisteren was een warme, bijna zomerse dag. Vandaag stort de regen naar beneden. Ik zie het als ik uit het raam van mijn hotelkamer in Clarksville, nabij Nashville, kijk. De lucht is grauw, dreigend. Zo te zien komt het niet meer goed vandaag. Vanavond ga ik naar Nashville, kijken naar de plaatselijke Predators tegen de Vancouver Canucks. Maar dat is niet de reden, dat ik me 24 maart 2016 zal blijven herinneren.

Johan Cruijff is dood. Gek idee, eigenlijk. Cruijff dood. Wist niet dat dat kon. Maar het is echt zo. Bezweken aan de gevolgen van longkanker. Terwijl het recentelijk nog beter leek te gaan. Maar zo gaan die dingen. Blijkbaar. Het is triest.

Over de voetballer Cruijff zijn we snel uitgepraat. Een geweldenaar. Met zijn topperiode tussen 1971 en 1974. Voor die tijd was hij een groot talent dat op het hoogste niveau toch nog wel veel te bewijzen had, na 1974 was hij nog steeds erg goed maar misschien toch niet meer helemaal zo goed als tijdens die bloeiperiode in het Nederlandse voetbal. Nooit heeft een voetballer beter gespeeld dan Johan Cruijff tijdens de eerste ronde op het WK 1974. Niet Maradona in 1986, niet Messi in zijn gloriejaren 2012 en 2013, en Pelé al helemaal niet. Ik heb het berekend. Het klopt.Cruijff overleden

De jaren zestig en vroege jaren zeventig waren een unieke tijd. Cruijff was de sportieve verpersoonlijking van een rebelse periode waarin aan conventies weinig belang werd gehecht. Zoals hij wilde je zijn. Ook al durfde je dat eigenlijk niet. Want Cruijff deed dingen die helemaal niet konden. Op het veld, maar vooral ook daarbuiten. Hij vroeg aan Koningin Juliana of zij niet iets aan het belastingklimaat voor voetballers kon doen. Cruijff droeg zijn haar lang. Als de club hem wegens wangedrag voor drie wedstrijden schorste, dreigde hij de drie wedstrijden daarna ook niet mee te doen. En dan bond de club in. Later werd hij trainer. Zonder diploma. Wat nou, diploma? Een ander zou geschorst worden, hij niet. Hij kwam ermee weg. Want hij was Cruijff.

Cruijff werd groot in een tijd dat voetbal een televisiesport werd. Voor het eerst kon je niet alleen lezen over de heldendaden van de beste spelers, je kon ze nu zelf zien. Door op een knop te drukken en de juiste zender te kiezen. Hetgeen makkelijk was, want er waren er maar twee of drie. En ja, dan zag je die gazelle. Die overal langs flitste. Alsof ze er niet stonden. Die goals maakte, mooie goals vooral. Dat had je nooit eerder gezien. Cruijff werd de maat aller dingen.

Johan Cruijff was een genie. Hij had genoeg zwarte kanten, maar zijn legende zal nooit verdwijnen. Onder zijn inspiratie ontstond in het Nederland van ‘doe maar gewoon, dan is het gek genoeg’ een cultuur van sportpioniers die lef én kwaliteit combineerden met de uitstraling van rocksterren. Voetballand Nederland zal nooit meer hetzelfde zijn. Wat er ook gebeurt, we zullen nooit meer weten wat Cruijff ervan vindt. Terwijl hij juist overal altijd iets van vond. Dat krijgen we niet zo één-twee-drie uit ons systeem.

Johan Cruijff is de beste voetballer die Nederland ooit had. Hij zal altijd de beste blijven. Ook al komen er betere, Cruijff was de beste want hij was de eerste. Maar da’s logisch.

Half 3 uitverkocht
De 18 nummers van Half 3 zijn inmiddels niet meer verkrijgbaar.